Feitenrelaas betreffende gestelde delay en daardoor geleden schade onduidelijk: verzoek leent zich niet voor deelgeschil.

Rechtbank Den Haag, 20 november 2019
Sprake van een delay? Zo ja, in hoeverre heeft (de minderjarige) hierdoor schade geleden? Onvoldoende zekerheid op deze punten. De rechtbank meent dat het verzoek zich ook niet leent voor een deelgeschil.
Verzoek Rechtbank
(verzoeker sub 1) verzoekt te bepalen dat:

(1) (verweerders c.s.) aansprakelijk zijn voor de door (de minderjarige) geleden en te lijden schade als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten door (verweerder sub 2) in de nakoming van de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling;

Partijen verschillen van mening over de aan het verzoek ten grondslag gelegde feiten. De verklaring van de wettelijke vertegenwoordiger – gymongeval 4 maart, meteen naar (verweerder sub 2) gebracht – staat haaks op de verklaring van (verweerder sub 2) en hetgeen de huisarts, de fysiotherapeut en de orthopedisch chirurg hebben opgenomen in het journaal en/of de correspondentie: langzaam opkomende klachten, medio juni melding van een vechtpartij, eind juli melding gymongeval.

Partijen zijn het er wel over eens dat (verweerder sub 2) (de minderjarige) eerder naar het ziekenhuis had moeten sturen voor een röntgenfoto. Punt van discussie is echter of en in hoeverre (de minderjarige) daardoor (vanwege de ontstane vertraging) schade heeft geleden.

Gelet op het vorenstaande en nu het geschil tussen partijen niet alleen gaat over de gestelde fouten, maar ook over de vraag of en in hoeverre die fouten in oorzakelijk verband staan met de gestelde schade, leent het verzoek zich niet voor een deelgeschil.

(2) (verweerder sub 1) mee moet werken aan de continuering van het afgesproken expertisetraject; Er is discussie tussen partijen over de vraag vanaf wanneer uitgegaan zou moeten worden van een delay: vanaf 30 mei of vanaf 4 maart, zoals (verzoeker sub 1) aan haar verzoek ten grondslag legt. Dit terwijl niet vaststaat dat op dat moment sprake is geweest van een fout van (verweerder sub 2). Om die reden leent ook dit verzoek zich niet voor de beoordeling in een deelgeschilprocedure.
(3) met begroting van de kosten van het deelgeschil en met veroordeling van (verweerder sub 1) tot betaling daarvan. Geen sprake van een volstrekt onnodig of onterecht ingestelde procedure.

(Verweerders c.s.) hebben geen inhoudelijk bezwaar gemaakt tegen de kostenopgave van (verzoeker sub 1): 23 uur x € 200,–. Ook de rechtbank meent dat dit niet onredelijk voorkomt. De rechtbank begroot dan ook dit bedrag, incl. BTW en het betaalde griffierecht. De kostenveroordeling wordt afgewezen.

Bovenstaande casus laat zien dat het essentieel is om het feitenrelaas helder te hebben. Wat is er nu precies gebeurd? De wettelijke vertegenwoordigers van (de minderjarige) stellen iets; dit staat haaks op hetgeen diverse medici hebben genoteerd (op basis van hetgeen hen verteld is, door de minderjarige en/of een wettelijke vertegenwoordiger).

Beoordeling BGK: uurtarief onredelijk, onvoldoende onderbouwing voor de gedeclareerde uren en geen kantoorkosten

Rechtbank Rotterdam, 20 maart 2020
Deelgeschilprocedure omtrent de BGK. De rechtbank veroordeelt (verweerster) tot betaling van een bedrag ter zake de BGK, na matiging van het aantal uren en begroting conform een lager uurtarief.
Verzoek Rechtbank
(Verzoeker) heeft verzocht uitvoerbaar bij voorraad;

(1) (verweerster) te bevelen € 4.605,82, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te betalen ten titel van BGK;

Voor wat betreft de BGK is er een impasse ontstaan. Partijen willen er graag samen uit komen. Als over de BGK een oordeel wordt gegeven, dan kunnen de partijen verder. Dat de afwikkeling wellicht nog niet dichtbij is – i.v.m. aangekondigde medische onderzoeken door (verzoeker) – maakt dit niet anders. Het gaat erom dat de onderhandelingen weer op gang komen.

M.b.t. de BGK oordeelt de rechter als volgt:

  • Uurtarief: € 270,– is onredelijk hoog, juridisch geen complexe zaak, aansprakelijkheid is erkend. Geen reden om aansluiting te zoeken bij het oude declaratietarief van de Orde x 1,5 correctiefactor i.v.m. specialistische kennis en ervaring.
  • Kantoorkosten: afwijzing, geen onderbouwing waarom het gelet op de toenemende digitalisering redelijk is om 6% kantoorkosten in rekening te brengen.
  • Gedeclareerde uren: onvoldoende onderbouwing waarom 13,18 uur redelijk is, o.a. onvoldoende duidelijk waarom veel correspondentie tussen advocaat en verzoekster werd gehouden. Geen secretariaat, maar dat rechtvaardigt niet dat voor alle werkzaamheden het volle tarief in rekening wordt gebracht.

De rechter begroot de BGK op € 2.783,–: € 230,– x 10 uur x 21% BTW

(2) (verweerster) te bevelen € 2.500,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te betalen ten titel van voorschot BGK ten behoeve van de verdere schaderegeling dan wel nog te entameren deskundigenonderzoek; Geen aanleiding om een voorschot op de BGK te betalen. Onvoldoende geconcretiseerd welke buitengerechtelijke werkzaamheden er nog plaats moeten vinden. (Verzoeker) heeft onvoldoende onderbouwd dat er nog een medisch onderzoek moet plaatsvinden.
(3) (verweerster) te veroordelen in de kosten van dit deelgeschil vooralsnog begroot op € 5.517,60 + griffierecht. Het aantal uren acht de rechtbank te hoog. Het verzoekschrift is omvangrijk, maar bevat voor een groot deel standaardteksten en citaten uit rechtspraak en literatuur.

De rechtbank begroot de kosten op € 2.087,25 (= 7,5 uur x € 230,- x 21%), vermeerderen met het griffierecht van € 499,–.  

 

Alle medische informatie die relevant kan zijn moet worden verstrekt voor medische expertise

Rechtbank Den Haag, 12 november 2019
Het betreft een achterop aanrijding met volgens verzoeker whiplash-letsel tot gevolg. Het overleg tussen verzoeker en verweerder betreft de medische informatie en het laten uitvoeren van een expertise om na te gaan of de klachten medisch gezien ongevalsgerelateerd zijn. Gaande dat overleg wordt duidelijk dat verzoeker een groter medisch verleden kent dan eerst was aangenomen en dat brengt de vraag naar voren om die medische informatie – het huisartsenjournaal- te delen. Verzoeker gaat hier niet in mee en betoogt dat de medische expertise reeds is toegezegd en dus uitgevoerd moet worden op grond van dat wat er aan medische informatie wel ligt. Verweerder is het daar niet mee eens.
Verzoek Rechtbank
I verzekeraar te gebieden om mee te werken aan een neurologisch/neuropsychologische expertise De rechtbank stelt voorop dat op verzoeker de plicht rust feiten te stellen waaruit volgt dat het door hem gestelde letsel en de schade die daaruit volgens hem voortvloeit zijn veroorzaakt door het ongeval en bij gemotiveerde betwisting deze te feiten te bewijzen. Hieruit volgt dat het aan verzoeker is om de deskundige alle medische informatie te verstrekken die van belang kan zijn om het medisch causaal verband tussen zijn klachten en het ongeval te kunnen beoordelen. Gelet op de overigens beschikbare medische informatie zijn er immers aanknopingspunten die kunnen duiden op een predispositie bij verzoeker die relevant kan zijn bij de beoordeling van de vraag of en in hoeverre zijn klachten ongevalsgerelateerd zijn. Van een ‘fishing expedition’ is, anders dan verzoeker heeft gesteld, geen sprake. Het beroep van verzoeker op het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BB3676) gaat dan ook niet op. Op basis van de beschikbare informatie ziet de rechtbank wél een reden om de vooraf te verschaffen informatie vooralsnog te beperken in tijdsduur, namelijk de duur van vijf jaar vóór het ongeval, derhalve tot 15 februari 2011. Het is aan partijen om de deskundige uitdrukkelijk te vragen om te bezien of hij op basis van de verschafte informatie aanleiding ziet om aan hem aanvullende informatie te verstrekken die dateert van 15 februari 2011. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de door verzoeker verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen.
II te veroordelen in de kosten van die expertise Vervolgens ontbeert het door hem verzochte onder ii en iii dan aan grondslag, zodat ook dit zal worden afgewezen.
III bij overschrijding van d etermijn te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500 per dag
IV te veroordelen tot betaling van € 16.899 BGK De rechtbank kwalificeert de zaak als niet omvangrijk en niet complex en is van mening dat een een advocaat de verantwoordelijkheid heeft het efficiënt aan te pakken. Het verzoek voor BGK acht de rechtbank bovenmatig hoog en acht een vergoeding van € 6655 redelijk.
V de kosten van het deelgeschil te begroten op € 8881 met veroordeling tot betaling De rechtbank brengt het aantal uren terug van 28 naar 10 en het tarief van € 245 naar € 220 en begroot de kosten op € 2200 ex BTW en kantoorkosten. Uitvoerbaar bij voorraad.

 

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: