Geen schending zorgplicht voor val tijdens het geven van gymles

Rechtbank Overijssel, 24 januari 2020
Verzoeker, gymdocent, loopt tijdens het geven van gymles letsel op. Verzoeker nam tijdens een softbal-les ook zelf actief deel als pitcher. Tijdens het rennen is hij ten val gekomen over een afzetlint. Geen schending zorgplicht door werkgever voor algemeen bekende gevaren. Het gevaar dat zich heeft verwezenlijkt had voor verzoeker bekend moeten zijn.
Verzoek Rechtbank
(1) Verzoeker verzoekt de kantonrechter om te bepalen dat het Carmel College aansprakelijk is voor de schade die hij heeft opgelopen bij het incident op 14 september 2007. (1) Geen schending van de klachtplicht in de zin van artikel 6:89 BW. Ruim voor aansprakelijkstelling is werkgever door verzoeker op de hoogte gesteld van het incident. Dat verzoeker zijn werkgever in eerste instantie geen verwijt leek te maken en daar kennelijk later anders over dacht, is niet onbegrijpelijk.

Geen sprake van schending van een concrete (wettelijke) norm met betrekking tot het gebruik van terreinlint Geen schending zorgplicht door werkgever die niet waarschuwt voor algemeen bekende gevaren. Los van de vraag of het terreinlint in zijn algemeenheid gevaarlijk is of niet, verzoeker heeft niet op de volgens hem gevaarlijke situatie ingespeeld, terwijl hij dat wel had kunnen en wellicht moeten doen, nu het door hem gestelde risico zich op 14 september 2007 heeft verwezenlijkt. Verzoeker wordt bekend verondersteld met het vast blijven zitten onder terreinlint, had voor alternatieven kunnen kiezen (pionnen of lijn afzetten met krijtlint).

(2) Kosten (2) Verzoeker procedeerde in persoon. Omdat gesteld noch gebleken is dat verzoeker in het kader van deze deelgeschilprocedure kosten heeft gemaakt, worden de kosten begroot op nihil.

De kantonrechter herhaalt dat de werkgeversaansprakelijkheid geen risicoaansprakelijkheid is. Het is volgens de rechter niet aannemelijk geworden dat met (veiligheids)maatregelen of instructies het incident voorkomen had kunnen worden.

Beoordeling medische noodzaak tot verhuizing naar rolstoeltoegankelijke woning op de begane grond

Rechtbank Den Haag, 27 januari 2020
Verzoeker heeft een verbrijzelingsfractuur in de heup opgelopen. Er is sprake van een verhoogde kans op vervroegd optreden van artrose in de heup. Partijen zijn het eens dat er andere gelijkvloerse woonruimte voor verzoeker moet worden gezocht om zo een heupprothese zo lang mogelijk uit te stellen. Na nog een ongeval is door de deskundigen vastgesteld dat verzoeker als gevolg van zijn pijnklachten volledig beperkt is in het zitten en ernstig beperkt is in het staan, lopen en traplopen. Als er een verhoogde kans is dat verzoeker in een rolstoel terecht komt, dan zal de toekomstige woning rolstoeltoegankelijk moeten zijn. Niet vereist is dat de woning zich bevindt op de begane grond. Wel dient de verzekeraar de redelijke kosten die verband houden met een verhuizing te vergoeden.
Verzoek Rechtbank
Het verzoek ex artikel 1019w Rv strekt er (na wijziging) toe dat de rechtbank:

(1) voor recht verklaart dat de medische noodzaak voor een verhuizing van verzoeker naar een andere woning vast staat, met dien verstande dat de nieuwe woning een gelijkvloerse woning moet zijn die is gelegen op de begane grond;

(1) Geen voorspelling gedaan over situatie als deze prothese versleten is. Geen informatie beschikbaar over de vraag wat dit betekent voor het risico op artrose, de noodzaak van een heupprothese en de situatie na het verslijten daarvan. De rechtbank kan niet vaststellen dat verzoeker (op afzienbare termijn) rolstoelafhankelijk zal worden. Wanneer de medisch adviseurs van oordeel zijn dat de kans groot is dat verzoeker op enig moment in de toekomst in een rolstoel belandt, ligt het voor de hand dat daarmee bij de zoektocht naar een woning rekening wordt gehouden.
(2) voor recht verklaart dat Trivium Advies [verzoeker] mag begeleiden bij de zoektocht naar een nieuwe woning waarbij het programma van eisen en wensen (variant met toekomstig rolstoelgebruik) (…) met dien verstande dat de nieuwe woning een gelijkvloerse woning moet zijn die is gelegen op de begane grond (…)

 

(2) Geen medische noodzaak voor het wonen op de begane grond. De situatie van verzoeker is in zoverre niet anders dan die van anderen die rolstoelgebonden of anderszins minder mobiel zijn. In het algemeen kan niet worden volgehouden dat woonruimte die niet op de begane grond zijn gelegen, niet geschikt of niet veilig is voor personen met een verminderde mobiliteit.

Wens van verzoeker is minimale woonoppervlakte van 120m2. Huidige woning is 139m2. Bij de schaderegeling moet het uitgangspunt zijn dat het slachtoffer zo veel mogelijk wordt gebracht in dezelfde situatie als voor het ongeval. Dat betekent dat van verzoeker niet kan worden gevergd dat hij al te veel inboet aan woonruimte.

(3) voor recht verklaart dat de (redelijke) kosten van de nieuwe woning (…) voor rekening komen van Euro Insurances; (3) Met partijen is de rechtbank van oordeel dat uit artikel 6:98 BW voortvloeit dat eventuele extra lasten en kosten door de verhuizing van verzoeker gelden als schade als gevolg van het ongeval. De redelijke aanvullende woonlasten, eventuele verbouwingskosten, advieskosten en verhuiskosten en ook de aanvullende kosten voor gas, elektra en belastingen, voor rekening komen van Euro Insurances.
(4) de kosten van deze deelgeschilprocedure begroot op € 13.000,84 (€ 12.709,84 incl. BTW aan advocaatkosten + € 291 griffierecht) en Euro Insurances veroordeelt tot betaling van dit bedrag. (4) Verzoekschrift en aanvullend verzoekschrift zijn omvangrijk, uitvoerig verweerschrift, voorbereiding van de zitting was gecompliceerd, zitting inclusief onderhandelingen heeft een halve dag geduurd. Geen matiging van de kosten.

Aan de rechter zijn veel vragen voorgelegd, allemaal verband houdend met scenario’s die nog niet zijn ingetreden, maar waarvoor wel een verhoogde kans aanwezig is dat deze zich gaan voordoen. Wat betreft de persoonlijke voorkeur van verzoeker voor een woning op de begane grond (de angst van verzoeker dat hij bij calamiteiten niet snel genoeg beneden zal kunnen zijn) gaat de rechter niet mee.

Letsel door kantelende rolcontainer

Rechbank Midden-Nederland
Verzoeker duwt een rolcontainer over een putdeksel in het trottoir, waardoor de container kantelt. Verzoeker loopt daarbij letsel aan zijn scheenbeen op. HEMA heeft niet aan de zorgplicht voldaan en is aansprakelijk. Uren en tarief worden gematigd.
Verzoek Rechtbank
In deze procedure verzoekt verzoekster dat de kantonrechter voor recht verklaart dat HEMA en/of [verweerster sub 2] aansprakelijk zijn voor het ongeval op 11 september 2015 en zijn schade moet(en) vergoeden. Het is onduidelijk op welk moment van kantelen van de container er letsel is ontstaan, maar aannemelijk is dat verzoekster door het kantelen letsel heeft opgelopen.

[Verweerster sub 2] is niet aansprakelijk omdat zij geen bemoeienis heeft gehad met de manier waarop verzoekster zijn laad- en loswerkzaamheden uitvoerde.

Verzoekster heeft niets opzettelijk en verkeerds gedaan en is ook niet roekeloos geweest. HEMA is dus aansprakelijk, tenzij zij aan haar zorgplicht heeft voldaan.

Uit de stukken blijkt niet dat HEMA de medewerkers heeft geïnstrueerd hoe een rolcontainer voortbewogen moet worden. Tijdens het inwerken is uitgelegd dat men een rolcontainer moet laten gaan als deze dreigde te vallen. Daaruit blijkt dat een rolcontainer het gevaar in zich bergt te kantelen. Dat verweerster de container tegen wilde houden is een begrijpelijke reactie en daarnaast kan niet aangenomen worden dat verweerster geen letsel zou hebben opgelopen wanneer hij de container zou hebben laten gaan. Er is in deze kwestie weliswaar sprake van ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar deze komt in dit geval voor risico van HEMA. HEMA maakt immers gebruik van rolcontainers die gevoelig zijn voor oneffenheden in de ondergrond. HEMA is aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval.

Verzoekster maakt aanspraak op een bedrag van € 10.394,25 (34,10 X een uurtarief van € 250,- te vermeerderen met 21% btw, vermeerder met het griffierecht. Het is een beperkt en overzichtelijk geschil. Het aantal uur tegen een relatief hoog tarief past hier niet bij. De redelijke kosten van het deelgeschil worden begroot op € 5.566,- (inclusief btw). Daarbij komt het griffierecht à 79,-.

 

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: