Gebruikt geweld door politie op onderdelen onrechtmatig, maar schade geen gevolg van dit onrechtmatige optreden.

Rechtbank Den Haag 17 december 2020
Tijdens een voetbalwedstrijd begaf verzoeker zich in een groep supporters die bij het hoofdgebouw wilde protesteren tegen de slechte resultaten van de club. De politie kreeg de opdracht om te voorkomen dat de supporters het hoofdgebouw zouden bereiken. Hierbij is verzoeker meerdere keren door een diensthond gebeten en is hij met de wapenstok geslagen. Verzoeker stelt de Politie aansprakelijk voor zijn schade. De rechtbank oordeelt dat er geen aansprakelijkheid is. Wel is een deel van de gedragingen onrechtmatig, maar leidt niet tot schade voor verzoeker.
Verzoek Rechtbank
Verzoeker verzoekt de rechtbank:

(1) voor recht te verklaren dat de Politie aansprakelijk is voor de geleden schade als gevolg van het toegepaste geweld;

Gebruik van geweld door de Politie moet proportioneel en subsidiair zijn en er moet vooraf gewaarschuwd worden (artikel 7 Politiewet).

De noodzaak om geweld te gebruiken was gerechtvaardigd gezien de grimmige situatie waarbij de groep de confrontatie opzocht en de Politie sterk in ondertal was. De rechtbank vindt het begrijpelijk dat er geen tijd was voor waarschuwen via een megafoon. Er zijn mondelinge waarschuwingen gegeven en het kan de Politie niet verweten worden dat verzoeker dit niet heeft gehoord.

Het inzetten van de politiehond was proportioneel, omdat verzoeker bleef staan toen de menigte zich uit de weg maakte en de linie naar voren stapte. Slechts de diensthond had effect op verzoeker.

De twee klappen met de wapenstok zijn ook proportioneel en subsidiair. De Politie heeft toegelicht dat deze klappen waren bedoeld om ervoor te zorgen dat de hond los zou laten en dat verzoeker zou opstaan.

Verzoeker heeft ook nog klappen gehad toen hij zich omdraaide en probeerde op te staan. Door de klappen leek hij weer te vallen. Het had voor de Politie voldoende duidelijk moeten zijn dat verzoeker moeilijk kon opstaan. Daarom ziet de rechtbank de noodzaak voor de klappen niet en is dit onrechtmatig.

De door verzoeker geleden schade is ontstaan door de val of de eerste klappen. Omdat dit het gevolg is van rechtmatig optreden van de Politie, is de Politie hiervoor niet aansprakelijk. Verzoeker heeft geen feiten gesteld op grond waarvan aannemelijk is dat hij schade heeft geleden als gevolg van de latere – onrechtmatige – klappen met de wapenstok.

Het eerste verzoek wordt daarom afgewezen.

(2) voor recht te verklaren dat, indien het primaire verzoek wordt afgewezen, de gedragingen van de Politie(honden) als onrechtmatige daad moeten worden aangemerkt; Dit verzoek is gedeeltelijk toewijsbaar, omdat de latere klappen met de wapenstok als onrechtmatig aangemerkt worden.
(3) de Politie te veroordelen tot het betalen van een voorschot van € 15.000,-; Dit verzoek wordt niet toegewezen, omdat de aansprakelijkheid niet vast staat.
(4) de Politie te veroordelen in de kosten van het geding (€ 6.201,25, waarbij wordt uitgegaan van een tijdsbesteding van 25 uur en een uurtarief van € 205,-). De rechtbank matigt het aantal uren naar 20 uur. Het totaalbedrag is dan € 5.898,- (inclusief het griffierecht van € 937,-). Het totaalbedrag is alleen verschuldigd als aansprakelijkheid alsnog komt vast te staan.

 

Aanrijding motorfiets en personenauto op kruispunt. Automobilist is volledig aansprakelijk.

Rechtbank Amsterdam, 12 maart 2020
De rechtbank oordeelt dat de automobilist volledig aansprakelijk is; aldus ook geen eigen schuld aan de zijde van de bestuurder van de motorfiets, (verzoeker).
Verzoek Rechtbank
(Verzoeker) verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad,

(1) voor recht te verklaren dat (verweerder) aansprakelijk is voor de door (verzoeker) geleden en nog te lijden schade;

Uit de vergrendelmatrix volgt dat de partijen niet gelijktijdig groen of geel gehad (kunnen) hebben. Het staat vast dat (verzoeker), die linksaf wil slaan, groen licht had.

Uit de vergrendelmatrix volgt wel dat het mogelijk is dat de een door eind geel rijdt, terwijl de ander bij start groen licht vlot weg rijdt. Gelet op het gegeven dat (verzoeker) groen had, volgt dat automobilist – komende uit tegengestelde richting, voornemens om rechtdoor te gaan over de kruising – door rood of door eind geel moet zijn gereden. Automobilist heeft verklaard dat hij zag dat het stoplicht geel werd, dat hij het verkeerslicht bij geel is gepasseerd en vervolgens rechtdoor is gereden.

De rechtbank oordeelt dat het niet mogelijk is dat automobilist tegelijkertijd door geel, niet zijnde eind geel, is gereden. Met andere woorden, automobilist moet door rood zijn gereden. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat indien automobilist wel door geel zou zijn gereden, dan had hij moeten en kunnen stoppen voor geel. Het verweer van (verweerder) – een telefoonnotitie opgesteld n.a.v. een gesprek met automobilist, waaruit volgt dat het licht op geel sprong op het moment dat hij 10 meter voor het stoplicht was gekomen – faalt.

Daarnaast ook geen eigen schuld aan de zijde van (verzoeker). Geen schending van de verplichting tot oplettendheid in het verkeer, waarbij van (verzoeker) verlangd mag worden dat hij tot op zekere hoogte rekening dient te houden met fouten van andere weggebruikers. (Verzoeker) mocht veronderstellen dat de kruising leeg was. Daarnaast is het logisch dat zijn focus logischerwijs linkswaarts was gericht. Niet maatgevend is of (verzoeker) vlot is opgetrokken, nu (verzoeker) onder de maximum toegestane snelheid bleef. Daarnaast ook geen andere bijzondere omstandigheden, waaruit zou volgen dat men anders had moeten optrekken.

(2) de kosten van het deelgeschil te begroten en (verweerder) tot betaling van deze kosten te voordelen. Geen bezwaar tegen de omvang van de gemaakte kosten, begroting conform het verzoek. (Verweerder) wordt veroordeeld tot betaling van het verzochte bedrag.

 

Kansschade: verloskundigenpraktijk voor 3.6 % aansprakelijk voor overlijden baby

Rechtbank Amsterdam, 29 oktober 2020
12 dagen voor de uitgerekende datum geeft verzoekster tijdens een controle bij haar verloskundige aan dat zij haar kindje minder dan gebruikelijk voelt bewegen. Het hartje is onderzocht, waarna verzoekster naar huis is gestuurd. Verzoekster is niet doorverwezen naar het ziekenhuis voor nader onderzoek.

Die avond voelt verzoekster de baby nog één keer schoppen. De twee dagen daarna belt verzoekster met de verloskundigenpraktijk, omdat zij slecht geslapen heeft en last heeft van harde buiken. Haar wordt geadviseerd rust te nemen en bij toenemende klachten opnieuw contact op te nemen.

Twee dagen later – acht dagen voor de uitgerekende datum – meldt verzoekster zich bij een ziekenhuis. Daar wordt een echo gemaakt en wordt geconstateerd dat de baby is overleden.

Erkend is dat de verloskundigenpraktijk verzoekster had moeten doorverwijzen naar het ziekenhuis voor nader onderzoek. Nu de precieze doodsoorzaak niet is komen vast te staan, is niet erkend dat het niet doorsturen heeft geleid tot het overlijden van de baby. In dit deelgeschil staat de vraag centraal of er sprake is van causaliteit tussen het niet doorverwijzen naar een ziekenhuis, het overlijden van het kindje en de als gevolg van dat overlijden door verzoekers geleden schade.

Verzoek Rechtbank
De rechtbank wordt verzocht:

I. te bepalen dat verweerders (de verloskundigenpraktijk, de maten van de maatschap) volledig aansprakelijk zijn voor het overlijden van de baby, dan wel dat zij op basis van proportionele aansprakelijkheid 61% aansprakelijk zijn, dan wel voor een door de rechtbank te bepalen percentage aansprakelijk zijn;

Het primaire standpunt van verzoekers wordt verworpen. Er is weliswaar een medische fout gemaakt – verzoekster had doorverwezen moeten worden naar een ziekenhuis voor nader onderzoek – er is echter geen grond om csqn-verband tussen de medische fout en het overlijden van het kindje vast te stellen: volgens het deskundigenrapport zou het speculatief zijn om te zeggen dat de baby nog zou hebben geleefd als verzoekster wel zou zijn doorverwezen.

Ook de omkeringsregel waarop verzoekster zich beroept om tot volledige causaliteit te komen kan niet worden toegepast. De geschonden norm is hiervoor niet specifiek genoeg: het betreft geen veiligheidsnorm, maar een algemene zorgvuldigheidsnorm die niet ziet op het voorkomen van één specifieke doodsoorzaak. Elke controle van de verloskundige heeft immers als doel het voorkomen van perinatale sterfte.
Hierbij is ook relevant dat de doodsoorzaak niet is achterhaald. Zoals door de Hoge Raad eerder is beslist kan in een dergelijke situatie de omkeringsregel niet worden toegepast (zie ECLI:NL:HR:2004:AO1299).

 

Proportionele aansprakelijkheid
De formule die in dit kader is gebruikt om tot 61% aansprakelijkheid te komen is ongeschikt, omdat hiermee wordt uitgegaan van een toenemende kans op gezondheidsschade door een fout, terwijl het gaat om een afgenomen kans op ontdekking van en adequaat handelen bij een risicovolle situatie.

 

Kansschade
Indien zou zijn verwezen naar een ziekenhuis, zouden – als de baby op dat moment nog in leven was – tests zijn gedaan die in 3,6% van de gevallen zouden hebben geleid tot het constateren van een zorgelijke situatie waarop zou zijn ingegrepen. Nu niet is doorverwezen is verzoekster de kans ontnomen dat onderzoek te ondergaan.
De kans van 3,6 % is weliswaar klein, maar gezien de omstandigheden – rekening houdend met de aard van de normschending en de schade – niet zodanig gering dat deze moet worden geduid als niet-reële kans. Er is sprake van 3,6 % aansprakelijkheid aan de zijde van verweerders.

II. te bepalen dat de vader van de baby – op grond van een apart jegens hem gepleegde onrechtmatige daad – een vordering wegens shockschade toekomt; De rechtbank merkt op dat – hoe invoelbaar het leed van verzoeker ook is – er geen sprake is van shockschade. Nu er geen sprake is van schending of opzettelijke overtreding van een verkeersnorm of veiligheidsnorm, is aan de eerste voorwaarde voor shockschade niet voldaan. Omdat verzoekers daarnaast het overlijden van de baby niet actief hebben meegemaakt, maar daarmee later in het ziekenhuis zijn geconfronteerd, is ook aan de derde voorwaarde voor shockschade niet voldaan.
III. de kosten van de procedure te begroten op € 2.434,52 te vermeerderen met griffierecht (€ 83); de nog te maken kosten in verband met de mondelinge behandeling tegen een uurtarief van € 240 (excl. btw) en wettelijke rente. De omstandigheid dat verzoekers procederen op basis van toevoeging maakt niet dat begroting van de kosten achterwege kan blijven:

17 uur á € 240 (excl. btw) is – gezien de juridische complexiteit – redelijk. Het totaal komt incl. btw en griffiekosten op € 5.019,80. Verweerders dienen 3,6 % van dit bedrag – te weten € 180,71 – te vergoeden

 

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: