Verzekeraar behoeft niet verder mee te werken aan deskundigenonderzoek. Onderhandelingen begrijpelijk afgebroken.

Beschikking RBMNE 20-10-21B
Verzekeraar breekt onderhandelingen af na eerdere deelgeschillen, discussie over (aanvankelijk achtergehouden)  medische informatie, vraagstelling aan deskundige en voortdurende onduidelijkheid over gestelde schade.

Het afbreken van de onderhandelingen is onder die omstandigheden gerechtvaardigd. Matiging kosten die wel worden begroot maar niet worden toegewezen.

Verzoek Rechtbank
ASR te bevelen dat partijen zich gezamenlijk tot de neuroloog prof. dr. Kapelle wenden met het verzoek om een nadere verduidelijking te geven, waarbij partijen in ieder geval een nadere verduidelijking vragen op vragen op het antwoord 2c in het licht van de beschouwing, zoals partijen gezamenlijk bij de rechtbank zijn overeengekomen Gelet op het langlopende schaderegelingstraject met eerdere deelgeschilprocedures, de daarover beschikbare stukken en de nadere medische informatie kan van ASR bij deze stand van zaken niet kan worden verwacht dat zij de onderhandelingen met [verzoekster] voortzet.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft ASR al met al in redelijkheid kunnen besluiten om de zaak eenzijdig te
sluiten. Het is onvoldoende gebleken dat de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een
vaststellingsovereenkomst. Het ligt inmiddels meer de hand dat wordt gekozen voor een bodemprocedure, waarin de gehele vordering ter beoordeling aan de rechter kan worden voorgelegd.

de kosten van behandeling van het onderhavig verzoek op voet van artikel 1019aa Rv te begroten en ASR te
veroordelen die aan [verzoekster] te voldoen, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht.in totaal € 11.116,94(34,67 uur x tarief 250,00 exclusief
6% kantoorkosten en 21% btw),
De rechtbank zal de redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak begroten op 25 uren x € 225,00 exclusief btw dus op € 5.625,00 exclusief btw. Deze kosten zullen worden vermeerderd met het door [verzoekster] betaalde
griffierecht van € 309,00.

Langlopende zaak waarin verzoekster informatie niet en vervolgens in snippers verstrekt. Geringe geweldsinwerking. Pre-existentie…

Deelgeschilprocedure waarin de gehele kwestie wordt voorgelegd: afwijzing verzoek

Rechtbank Oost-Brabant, 8 oktober 2021
Brandschade op de zolderverdieping, ontstaan door een ondeugdelijke installatie van de zonnepanelen. Verzoekers leggen het complete geschil voor in een deelgeschilprocedure. Dat kan niet: afwijzing van de verzoeken.
Verzoek Rechtbank
(Verzoekers) verzoeken de kantonrechter:

(1) om te beslissen dat verweerder o.g.v. art. 6:106 lid 1 sub b BW aan verzoekers dient te betalen een immateriële schadevergoeding van € 7.500,- per persoon;

Verzoekers – het gezin bestaande uit man, vrouw, zoon 1 en zoon 2 – stellen dat de brand voor hen een traumatische ervaring is geweest. De opstal- en inboedelverzekering heeft de materiele schade (grotendeels) vergoed. Verzoekers stellen dat zij in de persoon zijn aangetast nu er een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is gemaakt. Verzoekers menen dat zij recht hebben op een smartengeldvergoeding van € 7.500,–.

De kantonrechter wijst het verzoek af. De behandeling van deze kwestie leent zich niet voor een deelgeschil. Het gaat hier om het complete geschil, niet om enkele beperkte geschilpunten. Verzoekers vragen de kantonrechter immers om te oordelen of er sprake is van immateriële schade en zo ja, wat dat de hoogte is van deze vordering. Indien de kantonrechter deze vragen zal beantwoorden, is er geen geschil meer over: het gehele geschil is dan beslecht.

(2) de kosten van deelgeschil te begroten op € 9.086,58 en verweerder te veroordelen in deze kosten. De kantonrechter wijst ook dit verzoek af. Genoemde verzoeken lenen zich niet voor een behandeling in deelgeschil. Om die reden geen inhoudelijke behandeling van de (buitengerechtelijke) kosten.

Vrij duidelijke uitspraak van de kantonrechter over het deelgeschil in de zin van de wet. Overigens is het ook onduidelijk gebleven in hoeverre verzoekers konden aantonen dat de brand voor hen traumatisch was: dat volgt niet uit de beschikking, maar wellicht wel uit het verzoekschrift.

De kantonrechter passeert op een vlotte wijze de kosten van deelgeschil, waarbij de rechter ook spreekt van buitengerechtelijke kosten. Wellicht dat de rechter hier – in het kader van onterecht en onnodige ingediende verzoeken – meer aandacht aan had moeten schenken.

Ongeval tussen fietser en Biró. Eigen schuld van 70% voor verzoekster.

Rechtbank Amsterdam 8 juli 2021
Verzoekster wordt aangereden door een Biró toen zij vanaf een fietspad een voetgangerszone in wilde fietsen. Bovemij, de verzekeraar van de bestuurder van de Biró, heeft de aansprakelijkheid erkend voor 50%. Eigen schuld van verzoekster wordt vastgesteld op 70%. Bovemij moet 50% van de schade betalen. Voorschot bgk wordt afgewezen.
Verzoek Rechtbank
Verzoekster verzoekt de rechtbank:

(1) (primair) voor recht te verklaren dat er geen eigen schuld is aan de zijde van verzoekster, dan wel (subsidiair) een eigen schuldpercentage vast te stellen dat minder is dan 50%;

De Biró mocht in de voetgangerszone rijden, omdat het als gehandicaptenvoertuig is aan te merken. De Biró is namelijk aangepast, omdat verweerder een been mist.

Verzoekster stelt dat de aanrijding enkele meters ná de kruising heeft plaatsgevonden, waardoor het niet relevant is wie op de kruising voorrang had. Dit heeft verzoekster onvoldoende gemotiveerd. Uit alle verklaringen blijkt dat er sprake was van een voorrangskwestie. Het lijkt er sterk op dat verzoekster nog bezig was met afslaan, omdat zij linksachter is geraakt.

De weg vertoont kenmerken van een uitrit: einde gemarkeerd door dwarse stenen streep, na de streep is de bestrating anders en de weg eindigt in een poort. De rechtbank oordeelt dat er sprake was van een uitrit en dat verzoekster voorrang had moeten verlenen aan verweerder. Dit heeft zij niet gedaan en daarom is de aanrijding in overwegende mate aan verzoekster te wijten.

De rechtbank gaat er wel vanuit dat verweerder te hard heeft gereden (harder dan 6 km/u). Bovendien is verweerder over verzoekster heen gereden.

De rechtbank stelt het percentage eigen schuld van verzoekster vast op 70%. Omdat artikel 185 WVW van toepassing is en omdat er geen sprake is van overmacht, moet Bovemij wel 50% van de schade betalen. Er volgt geen billijkheidscorrectie.

(2) Bovemij te veroordelen tot betaling van een voorschot op de bgk van € 4.500,-; Aangezien Bovemij voor niet meer dan 50% aansprakelijk is voor de schade, wordt ook de verplichting om de buitengerechtelijke kosten te voldoen in dezelfde mate verminderd. Niet is gebleken dat Bovemij op enige wijze een houding heeft aangenomen die kostenverhogend werkt. Bovemij is een bedrag van € 3.592,04 verschuldigd en heeft al € 2.493,75 betaald. Daarom wordt het verzoek om een voorschot van € 4.500,- te betalen afgewezen.
(3) Bovemij te veroordelen in de kosten van deze deelprocedure. Verzoekster begroot de kosten op € 4.935 (21 uur x € 235,-) + kantoorkosten van 7% en btw. De rechtbank matigt het aantal uren naar 15. De rechtbank begroot de kosten op € 4.574,25 (15 x € 235 + kantoorkosten, btw en griffierecht). Bovemij wordt veroordeeld om 50% van deze kosten te voldoen.