Misstap op voetpad: ongelukkige samenloop van omstandigheden, geen aansprakelijkheid wegbeheerder

Rechtbank Noord-Holland, 22 oktober 2020
Begin december, omstreeks 21:15 uur, valt (verzoekster) in de ten opzichte van het voetpad lager gelegen berm. De gemeente is niet aansprakelijk voor deze val: geen gebrek, geen schending van de algemene zorgverplichting.
Verzoek Rechtbank
(Verzoekster) verzoekt de rechtbank te beslissen dat:

(1) de gemeente aansprakelijk is voor de schade van (verzoekster);

De vraag is of het gaat om een misstap die iedereen kan maken, of dat het gaat om een ongeval waarbij de gemeente een verwijt valt te maken.

Het beroep op art. 6:174 BW wordt verworpen. Niet voldoende is gesteld dat het pad en de berm zodanig op elkaar zijn afgestemd dat zij als één geheel moeten worden gezien. De berm was niet aangelegd als uitwijkmogelijkheid voor voetgangers; de berm behoorde niet tot de weg.

Daarnaast is geen sprake geweest van een gevaarzettende situatie (Kelderluik). De rechtbank oordeelt als volgt:

  • Het wandelpad verkeerde in goede staat van onderhoud;
  • Het pas is opgebouwd uit inspringende, vlakke tegels, in verschillende kleurtinten, die ijsschotsen moeten uitbeelden
  • De naastgelegen, lager liggende berm bestaat uit aarde en is donker van kleur.
  • Het pad is zodanig breed dat men daar niet snel buiten hoeft te geraken.
  • Dat de lichtmasten werken brengt hierin geen verandering; de lantaarnpalen verderop deden het wel.
  • De kans op een valincident is klein en theoretisch.
  • Gemeente heeft nadien ook geen aanleiding gezien om maatregelen te nemen.
  • (Verzoekster) zelf liep ook regelmatig over het voetpad, naar de ijsbaan, heen en terug.

Zeker ’s avonds mag van een voetganger de nodige oplettendheid verwacht worden. Conclusie: ongelukkige samenloop van omstandigheden, geen aansprakelijkheid a.d.z.v. de gemeente.

(2) de kosten te begroten en (verweerder) te veroordelen in deze kosten. Kostenbegroting = 20 uur x € 257,50 per uur excl. BTW. (Verweerder) maakt bezwaar tegen de 4 uur i.v.m. de mondelinge behandeling inclusief reistijd, aangezien een digitale zitting is gehouden.

De rechtbank brengt 1,5 uur in mindering. Het uurtarief acht de rechtbank redelijk. Totaal betekent dit € 5.764,17 incl. BTW. Alleen een begroting, geen kostenveroordeling.

Duidelijke uitspraak omtrent de vereisten van art. 6:174 BW en de kelderluikcriteria. Bijzonder zijn de overwegingen in r.o. 4.2 en 4.3. Ondanks het verweer van de gemeente (dat de onderhandelingen nog niet zijn begonnen), acht de rechtbank het verzoek ontvankelijk: de feiten en omstandigheden zijn voldoende duidelijk voor een beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag.

Verder wordt ook in deze kwestie tijd ‘geschrapt’ voor wat betreft de begroting van de kosten vs. een digitale zitting.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: