Val van op-/afstapje in fastfoodrestaurant. Geen gebrekkige opstal, geen aansprakelijkheid a.d.z.v. bedrijfsmatige gebruiker

Rechtbank Den Haag, 18 februari 2020
(Verzoekster) komt ten val bij een trapafstapje in een fastfoodrestaurant, waarna zij de keten aansprakelijk stelt o.g.v. art. 6:174 jo. art. 6:181 BW. De rechtbank oordeelt dat er noch sprake is van een gebrekkige opstal, noch dat er sprake is van gevaarzetting.
Verzoek Rechtbank
Verzoekster verzoekt de rechtbank te bepalen dat:

(1) (verweerders c.s.) (de fastfoodketen en de aansprakelijkheidsverzekeraar) aansprakelijk zijn, primair o.g.v. art. 6:174 jo. art. 6;181 BW, secundair o.g.v. art. 6:162 BW.

De rechtbank is van oordeel dat de fastfoodketen (bedrijfsmatig gebruiker) niet aansprakelijk is voor de gevolgen van de val van (verzoekster):

I (verweerders c.s.) hebben betwist dat de afmetingen van de traptrede afweek van de maatvoering in de tekeningen (en aldus dat de traptrede niet voldoet aan het minimumvereiste van het bouwbesluit, tredebreedte van minimaal 23 cm). De conclusies van de door (verzoekster) ingeschakelde architect lopen spaak, mede ook gezien de afmetingen van de vierkante stoeptegels (30cm x 30cm).

II het plateau is niet gebrekkig vanwege het ontbreken van veiligheidsmarkeringen en een trapleuning. Het is ook geen vereiste conform het bouwbesluit; een leuning is pas vereist indien een trap een hoogte overbrugt van > 1 meter.

III het plateau en het trapafstapje hebben ook een compleet andere inrichting als de hoofdtrap. Het verschil in inrichting maakt juist dat het stapritme wordt onderbroken en men gedwongen wordt oplettend te zijn en te anticiperen op het trapafstapje. Uit de camerabeelden c.q. screenshots volgt ook dat betrokkene zelf even heeft stil gestaan en rondgekeken, alvorens zij verder naar beneden is gegaan. Ook andere personen hebben dit gedaan (en waren zich dus bewust van de verandering van situatie).

Geen sprake van nattigheid, viezigheid of andere mogelijke obstakels.

(2) de kosten van de procedure te begroten en (verweerder 2) te veroordelen tot betaling daarvan. (Verzoekster) vordert 14 uur x € 250,– x 6% kantoorkosten x 21% BTW. Geen aansprakelijkheid; rechtbank zal de kosten alleen begroten.

Rechtbank volgt (verweerders c.s.) dat het aantal uren fors is, zeker ook nu reeds eerder een uitgebreid verzoekschrift in een deelgeschil is opgesteld. Rechtbank zal rekening houden met 8 uur.

Verzochte vergoeding kantoorkosten wordt eveneens afgewezen; gelet op de huidige communicatiemiddelen houdt de rechtbank voor dat de kosten niet daadwerkelijk zijn gemaakt, waarmee feitelijk sprake is van verkapt honorarium.

De rechtbank kijkt puur alleen naar de situatie ten tijde van het ongeval. Dat na het ongeval de complete inrichting (weliswaar conform planning) is aangepakt, waarbij ook met zwart-gele-randen gewaarschuwd wordt voor bepaalde randen, is irrelevant.

De rechtbank is daarnaast ‘streng’ voor wat betreft de kosten: geen duidelijke uitleg over de kantoorkosten; tijdsbesteding is ook niet correct, mede ook gezien het gegeven dat er al een verzoekschrift lag…

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: