Juridisch causaal verband tussen (tenminste één van) de ongevallen en de WAD-klachten van (verzoekster)

Rechtbank Gelderland, 18 september 2019
(Verzoekster) stelt WAD-klachten te hebben na een tweetal aanrijdingen. De rechtbank komt nu tot de conclusie dat er sprake is van een juridisch causaal verband tussen klachten en ongevallen.
Verzoek Rechtbank
(Verzoekster) verzoekt de rechtbank:

(1) voor recht te verklaren dat de klachten van (verzoekster) in juridisch causaal verband staan met de haar overkomen ongevallen;

(Neuroloog) concludeert dat (verzoekster) sinds het eerste ongeval lijdt aan een WAD I (maximaal) en dat er na het tweede ongeval sprake is van WAD II. Er zijn geen neurologische beperkingen. Wel is er sprake van consistentie tussen de informatie verkregen van (verzoekster) en de feiten die volgen uit het dossier.

A.d.h.v. de ‘Whiplash-jurisprudentie’ wijst de rechtbank het verzoek toe.

  • Consistent, consequent en samenhangend patroon van whiplashachtige klachten: plausibel klachtenpatroon.
  • Geen pre-existentie: het enkele bestaan van tendomyogene hoofdpijnklachten van voor het 1e ongeval is niet voldoende om pre-existentie aan te nemen. Geen doorbreking van het causale verband m.b.t. de latere toegenomen hoofdpijnklachten.
  • Sterk temporeel verband tussen de klachten en het ontbreken van een aannemelijk geworden concrete alternatieve oorzaak van de klachten.
(2) (verweerders c.s.) te veroordelen tot betaling aan (verzoekster) van een voorschot van € 50.000,00; Het verzoek ziet op kosten wegens studievertraging, voor welke post, zoals door (verweerder) niet is betwist, nog niet eerder is bevoorschot. (Verweerder) betwist wel dat de opgelopen studievertraging van twee jaar geheel het gevolg is van de (verzoekster) overkomen ongevallen.

De rechtbank acht aannemelijk dat de studievertraging in ieder geval mede is te wijten aan de klachten, te meer nu de ongevallen kort na elkaar hebben plaatsgevonden en de studievertraging vanaf die ongevallen is opgetreden.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat een veroordeling tot betaling van een aanvullend voorschot van € 20.000,– redelijk is. Conform de richtlijn van de Letselschade Raad komt dit bedrag nagenoeg overeen met 1 jaar studievertraging voor een HBO-opleiding.

(3) (verweerders c.s.) te veroordelen tot betaling van de nog openstaande BGK van € 10.174,73 De rechtbank acht de totale gevorderde BGK (€ 23.389,13), gelet op de aard en de omvang van de schade en de complexiteit van de zaak, aan de hoge kant.

De rechtbank mist een gedegen toelichting voor de hoeveelheid correspondentie. Het is juist dat er sprake is van een moeizaam schadeafwikkelingstraject, maar daaruit valt niet af te leiden of de moeizame schadeafwikkeling te wijten is aan de opstelling van één van de procespartijen.

Gelet op de reeds betaalde BGK van € 13.214,40 acht de rechtbank een aanvullende vergoeding van € 7.000,00 redelijk.

(4) de kosten van het deelgeschil te begroten op € 7.247,50, inclusief griffierecht van € 895,–. De rechtbank acht een tijdsbesteding van 15 uur voor het verzoekschrift bovenmatig. De rechtbank acht daarvoor 10 uur redelijk.

Voor het overige acht de rechtbank de begroting van de kosten redelijk. De begroting komt dan in totaal op een bedrag van € 5.722,90, vermeerderd met € 895,– aan griffierecht.

De rechtbank geeft ook nog een zekere uitleg over de rol van de regelend verzekeraar en de ‘tweede’ verzekeraar . Nu de regelend verzekeraar geen bezwaren heeft geuit tegen totstandkoming en inhoud van de rapportage, dient de tweede verzekeraar – conform de ‘toegepaste constructie’ – de regelend verzekeraar hierin te volgen. Ook de tweede verzekeraar is dan gebonden aan de conclusies die volgen uit het rapport. De rechtbank passeert dan ook vrijwel meteen de bezwaren van de door de tweede verzekeraar aangedragen bezwaren.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: