Uitgangspunten m.b.t. vaststellen verlies aan verdienvermogen

Rechtbank Midden-Nederland, 25 september 2019
A is op 28 jarige leeftijd als fietser betrokken geraakt bij een verkeersongeval met ernstige gevolgen (hersenletsel, rolstoelgebonden). Partijen verschillen van mening over de uitgangspunten met betrekking tot de berekening van het verlies aan verdienvermogen. A staat onder bewind van haar vader.
Verzoek Rechtbank
Verzoekers verzoekt de rechtbank om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

(1) voor recht te verklaren dat als uitgangspunt voor de berekening van het verlies van arbeidsvermogen van [A] het arbeidsdeskundig rapport van 6 februari 2017 van mevrouw E. van Gulden geldt;

(2) meer concreet, te bepalen dat:

– A per 1 februari 2018 door het halen van de opleiding «verzorgende» op mbo-3 niveau zou promoveren naar schaal 35, een en ander als aangegeven op p. 3 van het rapport van de arbeidsdeskundige, vermeerderd met de onregelmatigheidstoeslag;

– A per 1 februari 2018 de omvang van haar dienstverband zou hebben uitgebreid naar 36 uur per week, op haar eigen afdeling, dan wel in combinatie met het werken op een andere afdeling;

– A 36 uur zou zijn blijven werken tot haar pensioendatum;

(1)(2) Voorstel van verzoekers om uitgegaan van een werkweek van 34 uur per week wordt door de rechter gehonoreerd (asr ging uit van 32 uur, verzoekers van 36 uur).

Door verzoekers is aannemelijk gemaakt dat A op het moment dat zij haar diploma verzorgende op mbo 3 niveau zou hebben behaald, haar uren had kunnen uitbreiden. Ingangsdatum voor promotie en urenuitbreiding acht de rechter 1 februari 2018 redelijk.

(3) primair te bepalen dat, als [verzoekers] ervoor kiest om het verlies van arbeidsvermogen in één termijn af te wikkelen, het rendement en de inflatie geldt zoals deze staan in het Concept van de Richtlijn Rente en Inflatie van de Letselschade Raad (…) althans subsidiair dat moet worden aangesloten bij het rapport van Bakker (…), althans meer subsidiair om het rendement en de inflatie in goede justitie vast te stellen; (3) In de huidige economische tijden is een rendement van 6% voor een particulier niet realistisch. Er is sprake van zeer lage (verwachte) rendementen en negatieve rentepercentages.

Als het gaat om de toekomstige rente- en inflatieontwikkeling komt het aan op de redelijke verwachting van de rechter op dit moment. Het komt de rechtbank juist voor om voor de korte termijn aan te knopen bij daarover bestaande prognoses van CPB en CBS. Speculaties over dat de marktrente op enig moment zal stijgen – of de inflatie zal dalen – zonder dat daar concrete aanwijzingen voor zijn passen daar niet bij. Rechter weegt de omstandigheid mee dat regresvorderingen van het UWV met een negatieve rente worden gekapitaliseerd als wel relevant: waarom zou een particuliere benadeelde geacht worden meer rendement te behalen dan het UWV? Verzoek wordt toegewezen (de rente de eerste vijf jaar 1,3% bedraagt, de daarop volgende vijftien jaar 2,2% en vanaf twintig jaar na kapitalisatiedatum 3,6% tot aan de einddatum en dat de inflatie in diezelfde perioden respectievelijk 1,5%, 1,6% en 1,9% bedraagt). Indien een jaar na beschikking wordt gekapitaliseerd, dan zullen de percentages opnieuw moeten worden vastgesteld.

(4) de kosten van dit deelgeschil voor verzoekers te begroten (..) hoofdelijk te veroordelen (…). (4) Het buitengerechtelijke traject is afgerekend tegen een uurtarief van € 270,00 is er geen reden om voor dit deelgeschil een ander, lager tarief te gebruiken. € 10.685,79 toegewezen. Hoofdelijkheid wordt afgewezen. Geen uitvoerbaar bij voorraad verklaring omdat tegen de beschikking in deelgeschil geen hogere voorziening openstaat.

De rekenrente is op dit moment onderwerp van discussie. De rechter neemt de redelijke verwachting over de toekomstige rente- en inflatieontwikkelingen als uitgangspunt. Speculaties over de ontwikkeling neemt de rechter zonder concrete aanwijzingen niet mee.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: