Valpartij van ‘opzittende’ van rollator; gemeente als wegbeheerder niet aansprakelijk

Rechtbank Den Haag, 26 september 2019
(Verzoekster) werd – als opzittende van haar eigen rollator – voortgeduwd. Zij zat met haar gezicht tegen de rijrichting in. Zij komt, ter hoogte van een rooster, ten val. Gemeente – wegbeheerder – niet aansprakelijk ex art. 6:174 BW voor gevolgen valpartij.
Verzoek Rechtbank
(Verzoekster) verzoekt de rechtbank:

(1) te verklaren voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade die (verzoekster) ten gevolge van het ongeval heeft geleden, lijdt en/of nog zal lijden;

Valpartij vond plaats bij een bij een rooster, op de rand tussen de stoep en het wegdek dat is bestemd voor overige verkeer. Het rooster ligt in het verlengde van de normale rij- en looprichting. Aan de kopse kant van het rooster is er ruimte tussen het wegdek en het rooster. Hierin is een steen geplaatst; deze steen lag maximaal 2,5 cm lager dan het wegdek. Conform het CROW-handboek is dit hoogteverschil ‘mager’.

Gesteld noch gebleken is dat de rollator waarop (verzoekster) zat is “vastgelopen” in de gaten naast de steen. De rechtbank gaat ervan uit dat het wiel van de rollator van (verzoekster) over de steen is gereden en daarbij geen last heeft gehad van de gaten naast de steen.

De plaats waar (verzoekster) is overgestoken, is niet ingericht als oversteekplaats. Dit betekent dat de stoep ter plaatse van het rooster niet zó hoefde te zijn ingericht, dat ook van de zijkant komende voetgangers (met hulpmiddelen) onbelemmerd konden passeren. De gemeente behoefde er geen rekening mee te houden dat weggebruikers het rooster op deze plaats, in deze richting en op deze manier zouden passeren.

Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat een rollator niet is bedoeld om als rolstoel gebruikt te worden. Een zodanig gebruik van de rollator kan ertoe leiden dat de rollator eerder zal vastlopen. Onderhouds- en veiligheidsmaatregelen waren mogelijk, maar uit deze aanpassing kan echter niet worden opgemaakt dat de weg ten tijde van de val gebrekkig was. Ten slotte mag van een weggebruiker verwachten worden dat zij voldoende zicht heeft op de weg, zodat zij tijdig kan anticiperen op o.a. eventuele ongelijkmatigheden in de weg.

(2) de kosten van het deelgeschil te begroten op € 7.327,–, te vermeerderen met wettelijke rente. (Verzoekster) heeft haar kosten begroot op € 11.808,– (49,2 uur x € 240,– per uur x 6% kantoorkosten en 21% BTW). (Verzoekster) heeft vervolgens haar kosten gematigd tot € 5.000,– (x 6% kantoorkosten en 21% BTW).

De rechtbank is van oordeel dat het aantal uren nog steeds bovenmatig is; 15 uur is redelijk. Daarnaast geen ruimte voor kantoorkosten; deze kosten zijn verdisconteerd in het uurtarief.

De rechtbank begroot de kosten op € 5.270,– (15 uur x € 240,– x 21% + € 914,– griffierecht). Geen kostenveroordeling.

Opmerkelijke zaak waarbij eigenlijk niet is komen vast te staan wat er nu daadwerkelijk is gebeurd. De rechtbank zet alles op een rij en komt tot het (begrijpelijke) oordeel dat er geen sprake is van een gebrekkig wegdek.

Verder is opvallend dat de rechtbank het aantal uren (voor een ‘2e maal’) matigt én oordeelt dat er geen ruimte is voor de kantoorkosten.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: