Causaal verband tussen ongeval en gezondheidsklachten, maar onvoldoende aanknopingspunten om arbeidsongeschiktheid aan ongeval toe te rekenen

Rechtbank Rotterdam, 18 juni 2019
Door een frontale botsing heeft verzoekster ernstig letsel opgelopen. Partijen twisten, aan de hand van deskundigerapporten, enerzijds over het causale verband tussen de gezondheidsklachten en het ongeval en anderzijds of de toegenomen arbeidsongeschiktheid volledig toe te rekenen is aan het ongeval. Dat laatste kan niet in deelgeschil worden bepaald.
Verzoek Rechtbank
Verzoekster verzoekt (…) uitvoerbaar bij voorraad,

(1) voor recht te verklaren dat de gezondheidsklachten van verzoekster juridisch volledig causaal aan het ongeval van 20 oktober 2005 toegerekend moeten worden

(2) voor recht te verklaren dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid volledig aan het ongeval van 20 oktober 2005 toegerekend moeten worden

(1) Er is sprake van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten die na het ongeval steeds zijn benoemd. Het bestaan van de klachten is door verzoekster daarmee voldoende aannemelijk gemaakt. Verder zijn er geen aanknopingspunten dat de medische voorgeschiedenis van invloed is geweest op het huidige klachtenbeeld. Dat verzoekster al bepaalde klachten had, die uiteindelijk zouden hebben kunnen leiden tot gestelde gezondheidsklachten, doet hier niets aan af. Verzoekster dient te worden genomen zoals zij is. Verzoekster heeft zich voldoende ingespannen om een bijdrage te leveren aan het herstelproces. De rechtbank verklaart daarom voor recht dat de gestelde gezondheidsklachten het gevolg zijn van het ongeval.

(2) Uit het bestaan van klachten volgt niet automatisch het bestaan van beperkingen, terwijl beperkingen niet automatisch leiden tot schade in de zin van verdienvermogen. De deskundigerapporten bieden onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat de gezondheidsklachten in relatie staan tot haar (volledige) arbeidsongeschiktheid. Nader bewijs is nodig. De deelgeschilprocedure leent zich daarvoor niet.

(3) Allianz te veroordelen tot het betalen van de buitengerechtelijke kosten, een bedrag van € 17.547,61

(4) Allianz te veroordelen in de kosten van het deelgeschil, te begoten op een bedrag van € 7.964,95, te vermeerderen met de kosten van de mondelinge behandeling en de verschuldigde griffierechten

(3) De rechtbank is van oordeel dat het bedrag van € 17.547,61 niet onredelijk is, gezien het tijdsverloop, de complexiteit van de zaak en de expertise van de advocaat. Daarbij komt dat de exacte omvang van de schade nog niet vaststaat. De kosten van een vorige belangenbehartiger – ofwel ‘dubbel werk’ – worden niet in mindering gebracht, aangezien verzoeker geen ervaring heeft met het behandelen van juridische zaken en het dan kan voorkomen dat zij tot inzicht kan komen dat zij in een andere belangenbehartiger meer vertrouwen heeft.

(4) Bij de begroting van de kosten dient rekening te worden gehouden met de dubbele redelijkheidstoets. Tot het moment van de zitting is door mr. Takkenberg voor € 9.915,29 aan kosten gemaakt. De rechtbank acht zowel de gedeclareerde uren als het gehanteerde uurtarief redelijk en begroot daarom de kosten van de deelgeschilprocedure op € 9.915,26. Aangezien de aansprakelijkheid is erkend wordt Allianz veroordeelt tot betaling van deze kosten van de deelgeschilprocedure.

 

 

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: