(Verzoeker) komt geen beroep toe op het voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst

Rechtbank Noord-Holland, 26 april 2018
In 1996 loopt verzoeker bij een bedrijfsongeval ernstig letsel op.

Eind 2004 werd de letselschade van (verzoeker) met een vaststellingsovereenkomst -met finale kwijting- afgewikkeld. In de vaststellingsovereenkomst is wel een voorbehoud opgenomen: ‘het voorbehoud geldt ten aanzien van eventueel in de toekomst door benadeelde te lijden verlies aan verdienvermogen, waarvan door benadeelde dient te worden aangetoond, dat een en ander in direct causaal verband kan worden gebracht met de gevolgen van dit ongeval en nog niet in de thans overeen gekomen regeling is verdisconteerd’.

(Verzoeker) maakt medio juli 2013 aan (verweerder) kenbaar dat hij gebruik wil maken van zijn voorbehoud. Volgens (verweerder) komt (verzoeker) geen beroep toe op het voorbehoud. Indien (verzoeker) dat wel kan doen, dan is het standpunt dat de vordering van (verzoeker) is verjaard. (Verzoeker) start een deelgeschilprocedure.

De rechtbank oordeelt dat het (verzoeker) geen beroept toekomt op het voorbehoud. De vraag of de vordering verjaard is, behoeft dan ook geen beantwoording.

Verzoek Rechtbank
(Verzoeker) verzoekt te bepalen dat

(1) er geen sprake is van verjaring;

De rechtbank ziet zich, gelet op de stellingen van partijen, allereerst voor de vraag gesteld of (verzoeker) een beroep op de voorbehouden toekomt. Wordt deze vraag bevestigend beantwoord, dan zal vervolgens moeten worden beoordeeld of de vorderingen tot schadevergoeding zijn verjaard.

Orthopedisch schoeisel/eigen risico

Dit beroep op het voorbehoud rust op de gedachte dat het na de vaststellingsovereenkomst van 2004 in 2008 ingevoerde eigen risico een niet benoemde en niet begrote schadecomponent is, die de kosten voor (verzoeker) ten behoeve van zijn orthopedisch schoeisel aanmerkelijk hebben vergoot. Echter, staat de invoering van het eigen risico niet, zoals -gelet op de tekst van het voorbehoud- is vereist, in direct causaal verband met de gevolgen van het ongeval. Reeds hierom komt (verzoeker) naar het oordeel van de rechtbank geen beroep op dit voorbehoud toe.

De enkele reden dat het eigen risico niet expliciet is meegenomen in het overeengekomen bedrag, betekent niet dat de goede en kwade kansen niet in de vaststellingsovereenkomst zijn verdisconteerd. Het pakket van verzekerde zorg wordt regelmatig veranderd, net als de polisvoorwaarden. Als door zo’n wijziging orthopedisch schoeisel volledig zou worden vergoed, zou dit tot de kwade kansen voor (verweerder) behoren. Overigens blijft de mogelijkheid bestaan, zoals (verweerder) ter zitting ook heeft verklaard, om bij toenemende ongeval gerelateerde klachten en beperkingen die tot extra schade leiden een beroep op het voorbehoud te doen.

De wens van (verzoeker) om een voorbehoud op te nemen was destijds ingegeven door zijn onzekerheid over een mogelijke verslechtering van zijn fysieke conditie, waardoor zijn beperkingen groter zou worden en hij daardoor meer (inkomens) schade dan voorzien zou ondervinden. De overgelegde correspondentie geeft geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het opnemen van het voorbehoud de bedoeling had dat er bij elke ontwikkeling die tot financieel nadelige gevolgen leidt een beroep op zou kunnen worden gedaan.

Omdat het beroep van (verzoeker) met het eigen risico op het voorbehoud niet slaagt, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of deze vordering is verjaard. Het verzoek ter zake zal daarom worden afgewezen.

Inkomensverlies

Ten aanzien van het gedurende 16 jaar gelijk gebleven salaris als gevolg van -kort gezegd- de compensatie met de uitkering door het UWV, overweegt de rechtbank dat dit niet kan worden beschouwd als inkomensverlies.

Nog daargelaten de vraag of gelijk blijven van inkomen kan worden gelijkgesteld aan verlies van inkomen, was het bovendien voor (verzoeker) ten tijde van het opstellen van de vaststellingsovereenkomst bekend dat een verhoging van zijn inkomen uit arbeid zou worden gecompenseerd met de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV. Dat het gestelde verlies van inkomen als gevolg van de compensatie niet was voorzien, kan dan ook niet worden volgehouden. Overigens geldt ook hier dat indien als gevolg van toenemende invaliditeit (verzoeker) nieuwe schade heeft, hij een beroep kan doen op het voorbehoud.

Ook ten aanzien van het gestelde inkomensverlies komt (verzoeker) geen beroep op het daarvoor bedoelde voorbehoud toe. De vraag of deze vordering is verjaard behoeft dan ook geen beantwoording. Ook dit onderdeel van het verzoek zal worden afgewezen.

(2) en de kosten van deze procedure te begroten tegen een tarief ter hoogte van € 255,- per uur, te vermeerderen met 6% kantooropslag en btw, of althans een in goede justitie te bepalen bedrag. (Verzoeker) heeft verzocht de kosten van het deelgeschil te begroten op € 3.570, te vermeerderen met 6% kantoorkosten en BTW. (Verweerder) heeft -wat betreft de omvang, het uurtarief voor zover de reisduur hierin is meegenomen en de kantoorkosten- de verzochte begroting bestreden.De rechtbank overweegt dat het totaal aantal uren voor een deelgeschilprocedure -totaal 14- niet onredelijk voorkomt. Hoewel het uurtarief boven het landelijk gemiddelde van € 225,- tot € 240,- ligt, ziet de rechtbank daarin op zichzelf geen grond om dit te matigen. Wel geeft dit tarief de rechtbank aanleiding om de verzochte kantoorkosten van 6% af te wijzen, omdat deze kosten verdisconteerd mogen worden geacht in genoemd uurtarief.

Dat betekent dat de kosten van dit deelgeschil begroot zullen worden op een bedrag van € 4.606,70 (€ 3.570,- vermeerderd met 21% BTW en het betaalde griffierecht van € 287,-).

Voor een beroep op het voorbehoud is het aan (verzoeker) om aan te tonen dat hij -nu, een aantal jaar na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst- schade heeft geleden en dat de schade in direct causaal verband staat met de gevolgen van het ongeval. Op dat punt loopt het verzoek van (verzoeker) stuk. Voor een beroep op het voorbehoud gaat het o.a. verslechtering van de fysieke conditie, niet om een wijziging in het ziektekostenpakket. Compensatie met de uitkering van het UWV was/is een gegeven dat (verzoeker) ten tijde van het opstellen van de vaststellingsovereenkomst had kunnen weten.

Verder wijst de kantonrechter de verzochte 6% kantoorkosten af: deze kosten zitten eigenlijk al in het uurtarief -dat boven het landelijk gemiddelde ligt- inbegrepen.

 

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: