Immateriële schade ten gevolge van mislukte besnijdenis.

Rechtbank Midden-Nederland 07-11-2018
Na een medische fout bij een besnijdenis van een 2 jarig jongetje in 2001, die lijdt tot gedeeltelijke amputatie, is er 17 jaar na dato een dispuut over de vraag of de immateriële schade naar maatstaven van toen of van nu moet worden vastgesteld. De rechtbank komt tot het oordeel dat het naar de normen van nu dient te geschieden, omdat de omvang destijds niet was in te schatten.
Verzoek Rechtbank
Aanvankelijk heeft verzoeker de rechtbank verzocht om toekenning van een voorschot van € 125.000 op de geleden en nog te lijden immateriële schade. Na de zitting heeft hij zijn verzoek gewijzigd. Hij verzoekt thans het smartengeld definitief vast te stellen, en wel op € 125.000. Het Ziekenhuis heeft met deze wijziging van het verzoek ingestemd. Volgens verzoeker dient het smartengeld te worden begroot naar de normen van nu, volgens het Ziekenhuis naar de normen van 2001. De mislukte besnijdenis heeft in 2001 plaatsgevonden. In beginsel ligt het dan in de rede het smartengeld te begroten naar de normen van destijds. In deze zaak was de omvang van de immateriële schade op dat moment echter op geen enkele manier in te schatten. Het was toen immers volstrekt ongewis hoe één en ander zich bij verzoeker fysiek en emotioneel zou gaan ontwikkelen. Omdat hierover nu veel meer duidelijkheid is verkregen, kan daar bij de begroting van het smartengeld rekening mee worden gehouden. Het is inmiddels immers bekend wat in de tussenliggende periode op dit vlak heeft plaatsgevonden en wat de toekomst betreft zijn partijen het erover eens dat ervan mag worden uitgegaan dat geen verbetering in de situatie optreedt. Onder deze omstandigheden ligt het dan meer voor de hand om het smartengeld naar de huidige normen te begroten.  Gelet op alle voornoemde specifieke omstandigheden van dit concrete en uitzonderlijke geval, begroot de rechtbank de door hem geleden immateriële schade op een bedrag van € 110.000,00. Daarbij moet uiteraard nog wel rekening worden gehouden met hetgeen al aan verzoeker is betaald.
Verder verzoekt hij het Ziekenhuis te veroordelen in de kosten van dit geschil, te begroten op € 8.635,33 en het Ziekenhuis eveneens te veroordelen het door verzoeker verschuldigde griffierecht te betalen. De rechtbank oordeelt dat een billijke vergoeding van de kosten van dit deelgeschil het oorspronkelijke door verzoeker verzochte bedrag van € 2.856,99 is. De rechtbank neemt in deze begroting mee, zoals het Ziekenhuis heeft aangevoerd, dat daarmee – mede gelet op de deels gelijkluidende inhoud van het verzoekschrift in het eerdere deelgeschil – in voldoende mate wordt tegemoet gekomen aan het werk van de advocaat van verzoeker .

Een hele trieste zaak met heel veel impact voor de betrokkene, met als enige lichtpuntje het vaststellen van het smartengeld naar de normen van vandaag. Beter kon de rechtbank het niet doen.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: