Geen sprake van bedrijfsmatig gebruik paard, eigenaar/bezitter aansprakelijk

Rechtbank Gelderland, 7 juni 2018
Verzoekster is van een paard afgevallen en heeft daardoor letsel opgelopen. Het paard waarvan verzoekster was afgevallen stond eerst bij verweerder 1 gestald, ten tijde van de val bij Manege A. Verweerder 3 reed hoofdzakelijk op het paard in verband met sportactiviteiten. In vakantieperiodes en voor wedstrijden stond het paard gestald bij Manege A, waar verweerder 1 meerdere paarden gestald had voor de handel. Verweerder 3 runde samen met een vennoot manege A.
Verzoek Rechtbank
Verzoekster verzoekt de rechtbank, op de voet van 1019w Rv, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(1) voor recht te verklaren dat verweerder 1 , dan wel verweerder 3, dan wel de V.O.F. en haar vennoten, ieder hoofdelijk, aansprakelijk is/zijn jegens verzoekster voor de door haar geleden en in de toekomst te lijden schade,

(1) Rechtbank neemt als vaststaand aan de verzoekster op 25 oktober 2011 is gevallen van het paard. Wordt het dier echter gebruikt in de uitoefening van het bedrijf van een ander, dan rust deze risicoaansprakelijkheid ingevolge art. 6:181 BW niet op de bezitter, maar op de degene die het bedrijf uitoefent. Het gaat om de feitelijke situatie. Het paard werd in de periode 2007-2013 is ingezet ten behoeve van de persoonlijke sportambities van verweerder 3 en het paard ten tijde van het ongeval door verweerder 1 niet gebruikt in de uitoefening van zijn bedrijf. Het besluit om het paard te verkopen is na het ongeval genomen. Dit betekent dat geen sprake is van aansprakelijkheid van verweerder 1 op de grondslag van artikel 6:181 BW.

Geen sprake van bedrijfsmatig gebruik bij (De V.O.F.). Ten tijde van het ongeval werd het paard nog niet te koop aangeboden. De omstandigheid dat het paard bij (De V.O.F.) gestald stond maakt het nog geen bedrijfsmatig gebruik. Er is geen verlegging van de risicoaansprakelijkheid van de bezitter naar een bedrijfsmatige gebruiker.

Voor verzoekster was het duidelijk dat het paard eigendom was van verweerder 1. De enkele omstandigheid dat het paard soms op Manege A stond gestald en daar door verweerder 3 werd gereden, acht de rechtbank onvoldoende om bij verzoekster twijfel te veronderstellen ten aanzien van de vraag of verweerder 3 het paard op dat moment voor verweerder 1 hield of voor haarzelf. Beslissingsbevoegdheid over het paard bij verweerder 3 beperkte zich tot sportactiviteiten. Verweerder 3 hield het paard niet voor zichzelf hield, maar voor verweerder 1 , zodat verweerder 3 geen bezitter is geworden in de zin van artikel 3:107 BW. Verweerder 1 is aansprakelijk.

(2) indien de rechtbank van oordeel is dat verweerder 1 aansprakelijk is, ASR te veroordelen het schaderegelingstraject op te starten en daarop vooruitlopend een voorschot aan verzoekster te betalen op de geleden schade ter hoogte van € 10.000,00 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,

(3) indien de rechtbank van oordeel is dat verweerder 3 , dan wel de V.O.F. en haar vennoten aansprakelijk zijn, deze hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan verzoekster) van een voorschot op de geleden schade, ter hoogte van € 10.000,00 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,

(2) Medische stukken ter onderbouwing van niet aangeboren hersenletsel zijn niet overlegd. Door verweerder en ASR is een alternatieve oorzaak aangevoerd. Zonder nadere instructies kan niet worden vastgesteld welke klachten verzoekster thans ondervindt, of die klachten het gevolg zijn van (en in causaal verband staan met) haar val van het paard op 25 oktober 2011 en zo ja, tot welke beperkingen die klachten leiden. Verzoek wordt afgewezen.
(4) de kosten te begroten in de zin van artikel 1019aa Rv en de aansprakelijke partij te veroordelen tot voldoening van deze kosten aan verzoekster. (4) Uren door advocaat verminderd naar 20 uur tegen uurtarief van € 190,00 exclusief btw. De rechtbank komt de huidige kostenbegroting ook niet bovenmatig voor, behoudens de post ‘verschotten’ van € 1.769,84. Zonder toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk op welke grond die kosten behoren tot de kosten van dit deelgeschil.

In verband met de val een paard en daarbij opgelopen letsel wil verzoekster duidelijkheid hebben over wie aansprakelijk is. In dit geval wijzen partijen naar elkaar. Duidelijk wordt dat het paard niet werd gehouden voor de handel. Dat verweerder 3 het paard gebruikte om hogerop te komen in haar sportactiviteiten, maakt haar nog geen bezitter.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: