(Verzoekster) stoot haar hoofd tegen uithangend zonnescherm. (Verweerder) o.g.v. art. 6:174 BW aansprakelijk: het pad was gebrekkig.

Rechtbank Gelderland, 25 april 2018
(Verzoekster) heeft tijdens een wandeling over een verhard pad op het terrein van (verweerder) haar hoofd gestoten tegen een uithangend zonnescherm. Hierbij heeft zij letsel opgelopen.

(Verzoekster) stelt (verweerder) o.g.v. art. 6:174 BW jo. art. 6:162 BW aansprakelijk. (Verweerder) wijst de aansprakelijkheid van de hand. (Verzoeker) start vervolgens een deelgeschilprocedure om de aansprakelijkheid aan de zijde van (verweerder) vast te stellen.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het pad op het terrein van (verweerder) niet voldeed aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. (Verweerder) is aldus aansprakelijk voor de schade van (verzoekster).

Verzoek Rechtbank
Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank op de voet van art. 1019w e.v. Rv voor recht zal verklaren dat

(1) (verweerder) aansprakelijk is voor de door (verzoekster) ten gevolge van het ongeval geleden en nog te lijden schade;

Geen geschilpunt is dat het pad en het daarboven hangende zonnescherm dat is verbonden aan het hoofdgebouw van de door (verweerder) gevoerde kliniek opstallen zijn in de zin van art. 6:174 BW en dat (verweerder) daarvan de bezitter is. Op haar rust daarom de plicht ervoor te zorgen dat de toestand van het pad de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt. Deze risicoaansprakelijkheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven die volgen uit HR 17 december 2010, NJ 2012/155 (Wilnis), rov. 4.4.3. en 4.4.4. Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’.

Niet betwist is dat het pad vrij toegankelijk was en kon worden gebruikt als een loopverbinding tussen een zebrapad over de aan het terrein van de kliniek grenzende weg en de hoofdingang van de kliniek. Dat de meeste bezoekers van de kliniek een andere route kozen en dat het pad niet als loopverbinding was bedoeld maar als “glazenwasserspaadje”, doet daar niet aan af aan. Niet betwist is dat het pad betegeld was, dat het breed genoeg was om met twee personen naast elkaar te lopen en dat het direct verbonden was met het genoemde zebrapad en met looppaden waarvan vast staat dat deze in ieder geval als verbindingspaden waren bedoeld. Onvoldoende weersproken is voorts dat het pad zich in uiterlijk, verlichting, breedte en overige inrichting niet wezenlijk van die andere looppaden onderscheidde. De rechtbank is van oordeel dat in deze omstandigheden aan het pad in grote lijnen dezelfde eisen kunnen worden gesteld die met het oog op voorkoming van gevaar voor personen aan andere verbindingspaden op het terrein van de kliniek kunnen worden gesteld.

Vast staat voorts dat de zonneschermen ten tijde van het ongeval waren neergeklapt en wel zodanig dat de dwarsbalken, waarmee het uiteinde van de zonneschermen aan de muur verbonden waren (verder: de dwarsbalken) over de gehele breedte van het pad liepen, op een hoogte van, aan de muurzijde, circa 1,40 meter tot, aan de andere zijde, circa 1,60 meter. De rechtbank acht evident dat een dergelijk obstakel, op deze hoogte, boven een verbindingspad of een daaraan gelijk te stellen wandelpad op het terrein van een kliniek een voorzienbaar risico met zich brengt dat een gebruiker van het pad met zijn hoofd daar tegenaan loopt. In het algemeen hoeven voetgangers immers niet te verwachten dat zich daar een dergelijk obstakel bevindt. Dat de zonneschermen van een afstand te zien zijn brengt niet met zich dat deze in de onderhavige situatie geen, voor (verweerder) voorzienbaar, gevaar vormden.

Dat de dwarsbalken voor een oplettende voetganger, die zijn aandacht niet alleen op de grond richt zoals (verzoekster) stelt te hebben gedaan, goed waarneembaar zijn, betekent niet dat deze geen kenbaar gevaar op letsel vormen. Voorzienbaar is immers dat niet ieder die zich op een dergelijk verbindingspad op een openlijk toegankelijk terrein als dat van de kliniek bevindt steeds even oplettend is en daarbij voorts zijn aandacht steeds verlegt van de plaats waar hij zijn voeten zet naar de plaats van mogelijke obstakels op ooghoogte. Ten slotte acht de rechtbank onvoldoende weersproken dat het gevaar van de zonneschermen relatief eenvoudig te voorkomen was.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het pad niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat, nu het daaruit voortvloeiende gevaar zich heeft verwezenlijkt, (verweerder) daarvoor aansprakelijk is.

(2) veroordeling van (verweerder) tot betaling van de door (verzoekster) gemaakte buitengerechtelijke kosten, vastgesteld op € 9.096,02), vermeerderd met rente; (Verzoekster) vordert vergoeding van de gemaakte buitengerechtelijk incassokosten, in totaal € 9.096,02 bedragen. Dit bedrag bestaat zo begrijpt de rechtbank uit 31,3 uur, maal een uurtarief van € 235,00 = € 7.355,50 exclusief btw, € 8.900,16 inclusief BTW en € 195,52 aan ‘verschotten’, hetgeen opgeteld een bedrag oplevert van € 9.095,68.

Nu de aansprakelijkheid van (verweerder) vast staat, zal (verweerder) conform art. 6:96 lid 2 BW de buitengerechtelijke kosten van (verzoekster) aan haar moet vergoeden, voor zover die kosten redelijk zijn en de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren om schadevergoeding te verkrijgen.

(Verweerder) heeft niet betwist dat deze redelijk zijn en dat deze voor (verzoekster) noodzakelijk waren om schadevergoeding te krijgen, behalve dat (verweerde) stelt dat een aantal kosten dubbel, is gedeclareerd. Van deze dubbeling is echter na de vermindering door [verzoekster] geen sprake meer. De rechtbank wijst dan ook de gevorderde incassokosten tot een bedrag van € 9.095,68 toe (vermeerderd met rente.

(3) alsmede met begroting van de kosten aan de zijde van (verzoekster) bij de behandeling van het verzoek, vastgesteld op € 6.028,22 en veroordeling van (verweerder) tot betaling van deze kosten. (Verzoekster) heeft verzocht deze kosten te begroten op € 6.028,22:  20 uur tegen een uurtarief van € 235,00, vermeerderd met kantoorkosten en BTW en te vermeerderen met rente.

(Verweerder) heeft opnieuw geen concreet verweer gevoerd, zodat het totaal te begroten bedrag zoals gevorderd wordt vastgesteld op € 6.911,22 (inclusief € 883,00 aan griffierecht).

Nu vaststaat dat (verweerder) aansprakelijk is voor de schade die (verzoekster) als gevolg van het ongeval leidt zal (verweerder), zoals verzocht, tot betaling aan (verzoekster) van het aldus begrote bedrag, vermeerderd met rente, worden veroordeeld zoals gevorderd.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het pad ‘gebrekkig’ was. Dit omdat er een zonnescherm over het pad hing. De uitleg van de rechtbank is plausibel te noemen, gezien de aard van het pad (en het zonnescherm dat compleet over het pad hing).

Opvallend is verder dat de vraag of er sprake is van eigen schuld aan de zijde van (verzoekster) in deze procedure niet voor ligt. Verder is klaarblijkelijk geen concreet verweer gevoerd tegen de buitengerechtelijke kosten en de kosten voor dit deelgeschil. De rechtbank veroordeelt (verweerder) tot betaling van de door (verzoekster) gemaakte kosten, in totaal ruim € 16.000,–.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: