Staat aansprakelijk voor eenzijdig ongeval tijdens wegwerkzaamheden

Rechtbank Midden-Nederland, 13-01-2016
Verzoeker is een eenzijdig ongeval overkomen tijdens wegwerkzaamheden op de snelweg. Verzoeker is met zijn auto tegen een tijdelijke vangrail aangereden, waarna de auto over de kop sloeg. De rijbanen waren verlegd en de linkerrijstrook was bestemd voor werkverkeer en afgebakend met een tijdelijke vangrail. Er zou sprake zijn geweest van een onoverzichtelijke, gevaarzettende verkeerssituatie.
Verzoek Rechtbank
(1) (Verzoeker) verzoekt de rechtbank te bepalen dat de Staat aansprakelijk is voor de gevolgen van het hem op 2 maart 2011 overkomen ongeval. (1) Met (verzoeker) is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van het ongeval op 2 maart 2011 sprake was van een gevaarlijke verkeerssituatie, omdat deze aan duidelijkheid te wensen overliet. De rechtbank wijst op de lengte van de in-/uitvoegstrook van het werkvak. Een lengte van 400 meter is lang, indien daarbij betrokken wordt dat het gele verkeersbord dat waarschuwt voor een rijstrook die alleen bestemd is voor werkverkeer en het gele verkeersbord dat waarschuwt voor de verlegging van de rijstroken, alleen kort voor en aan het begin van de eerste tijdelijke vangrail waren geplaatst en dus niet zijn herhaald tussen het einde van de eerste barrier en het begin van de tweede barrier. Daarnaast is een in-/uitvoegstrook van een werkvak met een lengte van 400 meter naar het oordeel van de rechtbank als lang te kwalificeren, gelet op de tijd die gemoeid is met het afleggen van die afstand bij een snelheid van 90 km/uur. Ook is bedoelde in-/uitvoegstrook naar het oordeel van de rechtbank lang, gezien de locatie van die in-/uitvoegstrook. De in-/uitvoegstrook van het werkvak bevindt zich namelijk ter hoogte van de invoegstrook voor verkeer komend vanuit de oprit IJsselstein. Hierdoor ontstaat een situatie waarbij het verkeer dat al op de A2 rijdt, opschuift naar links. Onder deze omstandigheden mag in het belang van de verkeersveiligheid worden verlangd dat een in-/uitvoegstrook van een werkvak als zodanig herkenbaar is en dat duidelijk wordt aangegeven/gemarkeerd dat dat deel van de weg niet als een rijstrook fungeert. Op basis van de foto’s die zich in het dossier bevinden is de rechtbank van oordeel dat daar juist sprake is van een onduidelijke wegsituatie. De witte markering is goed zichtbaar aanwezig terwijl de tevens aangebrachte gele markering daarbij onvoldoende onderscheidend vermogen heeft vanwege de – naar het oordeel van de rechtbank – slechte zichtbaarheid daarvan. (…) Ook komt naar het oordeel van de rechtbank betekenis toe aan het feit dat het begin (de kop) van de tweede barrier aan het einde van de in-/uitvoegstrook van het werkvak, niet voorzien was van (extra) markering/accentuering.

 

Hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen leidt tot de conclusie dat de Staat als wegbeheerder op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk is voor het ongeval dat [verzoeker] is overkomen.

 (2) Daarnaast verzoekt (verzoeker) de rechtbank de kosten van dit deelgeschil te begroten op € 6.156,48 en de Staat te veroordelen tot betaling van deze kosten.  (2) (verzoeker) maakt aanspraak op een – naar aanleiding van het verweer van de Staat gematigd – bedrag van € 6.156,48 (20 uren x € 240,00 exclusief kantoorkosten en btw). De Staat heeft aangegeven zich te kunnen vinden in dit aantal bestede uren tegen dit uurtarief. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding deze kosten te matigen.

In dit geval voldeed de weg niet aan de eisen die men daaraan mag stellen. De rechtbank neemt daarin mee dat de lengte van de in- en uitvoegstrook van het werkvak erg lang was, de waarschuwingsborden niet genoeg zijn herhaald, de gele markering niet onderscheidend genoeg was en de tweede barrier niet was voorzien van markering.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: