Persoonlijk onderzoek onrechtmatig: resultaten mogen niet gebruikt worden bij de verdere schadeafhandeling.

Rechtbank Midden-Nederland, 2 mei 2018
(Gedaagde 2) exploiteerde -samen met de moeder van (verzoeker)- een café, een eenmanszaak. (Gedaagde 2) heeft een AVB voor de onderneming afgesloten bij (verweerder 1). (Verzoeker) -werkzaam in het café- valt van de keldertrap. Hierbij probeerde hij zich -met zijn linkerhand- aan het kelderluik vast te houden. Dit luik viel vervolgens dicht, waardoor de vingers tussen het kelderluik kwamen te zitten.

In het schaderegelingstraject heeft (verweerder 1) PO laten uitvoeren, waarbij (verzoeker) onder meer is geobserveerd. Hieruit volgt dat -op verschillende momenten- zowel (verzoeker 1), (gedaagde sub 2) als de moeder van (verzoeker) onjuiste mededelingen hebben gedaan over de aan-/afwezigheid van (verzoeker) in het café. Derhalve zegt (verweerder 1) de dekking van de polis op.

(Verzoeker) start een deelgeschilprocedure. Hij stelt dat het PO onrechtmatig is ingesteld en dat de resultaten buiten beschouwing gelaten moeten worden.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het PO onrechtmatig is: (verweerder 1) heeft in strijd gehandeld met de GPO. De uitkomsten mogen niet gebruikt worden bij de verdere schaderegeling.

Verzoek Rechtbank
(1) (Gedaagde 2) verzoekt voor recht te verklaren dat (verweerder 1) dekking dient te verlenen op grond van de AVB van (gedaagde 2); Indien buiten redelijke twijfel is dat (verweerder 1) geen dekking hoeft te verlenen heeft (verzoeker) geen belang bij een beslissing op het deelgeschil. Hiervan is in dit geval geen sprake. (Verweerder 1) heeft meer dan drie jaar gewacht met de mededeling dat zij geen dekking verleent. Het PO had een aantal jaar eerder plaatsgevonden. Op basis van dat onderzoek komt (verweerder 1) tot de conclusie dat zowel door (verzoeker) als door (gedaagde sub 2) en de moeder van (verzoeker) onjuiste mededelingen zijn gedaan over de aan-/afwezigheid van (verzoeker) in het café. Door dit lange tijdsverloop heeft (verweerder 1) zich niet als een behoorlijk verzekeraar gedragen. Gelet hierop staat onvoldoende vast dat (verweerder 1) geen dekking hoeft te verlenen.
(2) (Verzoeker) verzoekt voor recht te verklaren dat het persoon onderzoek onrechtmatig is ingesteld, dat de uitkomsten van dit onderzoek bij de verdere schaderegeling buiten beschouwing dienen te worden gelaten en te verklaren dat (verzoeker) (verweerder 1) niet misleid heeft dan wel onjuiste informatie heeft verstrekt met het doel om (verweerder 1) te bewegen om tot uitkering over te gaan; De aanleiding voor (verweerder 1) om het PO te starten was -conform art. 1.1. van de code- dat het ingestelde feitenonderzoek geen of onvoldoende uitsluitsel gaf voor het nemen van een beslissing omtrent de ingediende schadeclaim. De kantonrechter zal daarom beoordelen of deze grond zich heeft voorgedaan en of (verweerder 1) bij de beslissing over het instellen van het onderzoek de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht heeft genomen.De kantonrechter vat het betoog van (verweerder 1) op dat zij onvoldoende inzicht had in de beperkingen van (verzoeker) na het ongeval. Om daar duidelijkheid over te krijgen heeft (verweerder 1) het PO laten uitvoeren. (Verweerder 1) heeft (verzoeker) echter ten onrechte niet eerst nader bevraagd over zijn beperkingen. Er is onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat (verzoeker) daar dan waarschijnlijk niet juist op zou antwoorden. (Verzoeker) heeft onweersproken gesteld dat (verweerder 1) hem slechts de algemene vraag heeft gesteld of hij nog wel eens in het café kwam. Hij heeft erkend dat hij hier niet altijd juist op heeft geantwoord.

Het is echter van belang dat een verzekeraar duidelijke vragen stelt, waarbij de achtergrond van de vragen ook duidelijk moet zijn voor de betrokkene. Indien (verweerder 1) wilde weten of (verzoeker) nog in staat was om het café in de toekomst over te nemen of dat hij nog in staat was om daar werkzaamheden te verrichten, dan had zij daar duidelijke vragen over moeten stellen en kon zij niet volstaan met de algemene vraag of (verzoeker) nog wel eens in het café kwam.

Indien (verweerder 1) twijfels had over de lichamelijke beperkingen van (verzoeker) wat betreft de door hem gestelde functionele eenarmigheid, dan had zij hierover ook vragen kunnen stellen aan de orthopedische deskundige en aan de behandelend arts van (verzoeker) Dit heeft (verweerder 1) echter niet gedaan.

(Verweerder 1) heeft verscheidene mogelijkheden voor het doen van feitenonderzoek onbenut gelaten, zodat niet kan worden gezegd dat het ingestelde feitenonderzoek geen of onvoldoende uitsluitsel gaf voor het nemen van een beslissing omtrent de ingediende schadeclaim. Daarbij heeft (verweerder 1) de belangen van (verzoeker) niet zorgvuldig afgewogen tegen haar eigen belangen en heeft (verweerder 1) onvoldoende onderzocht of er andere mogelijkheden van onderzoek waren dan het PO die tot minder inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van (verzoeker) zouden leiden.

De observatie was daarnaast langdurig en stelselmatig. (Verweerder 1) heeft nagelaten anderen onderzoeksmethoden in te zetten die tot een geringere schending van de persoonlijke levenssfeer van (verzoeker) zouden hebben geleid. Voorts in onduidelijk door wie en op welke gronden het besluit tot het instellen van het PO is genomen. De rechtbank komt dan ook dat de conclusie dat het PO onrechtmatig is, en dat er aldus sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs.

In verband met bijkomende omstandigheden dient dit bewijs terzijde gelegd te worden, aldus de rechtbank. (Verweerder 1) heeft bewijsmateriaal verkrijgen door in strijd te handelen met de GPO. (Verweerder 1) heeft gebruik gemaakt van het middel ‘observatie’ nu daar geen enkele reden toe was. Ten slotte is het zo dat het onderzoek betrekking had op een schadezaak, waarin (verzoeker) niet als contractspartij maar als slachtoffer van het handelen van een verzekerde van (verweerder 1) was betrokken, en hij er (dus) niet voor gekozen had zich tot (verweerder 1) te verhouden. De uitkomsten mogen dan ook niet gebruikt worden bij de verdere schaderegeling.

Het verzoek om voor recht te verklaren dat (verzoeker) (verweerder 1) niet heeft misleid dan wel (geen) onjuiste informatie heeft verstrekt met het doel om (verweerder 1) te bewegen om tot uitkering over te gaan zal worden afgewezen. De kantonrechter acht zich onvoldoende voorgelicht om hierover kunnen oordelen.

(3) (Verzoeker) verzoekt de kosten van de procedure te begroten en (verweerder 1) te veroordelen tot vergoeding van deze kosten. (Verzoeker) heeft de kosten van het deelgeschil begroot op € 5.771,70 (45,6 uur x € 265,00 per uur) inclusief 6.5% kantoorkosten en BTW. (Verweerder 1) voert verweer tegen de tijdsbesteding en het uurtarief.Naar het oordeel van de kantonrechter is een tijdsbesteding van 20 uur voor dit deelgeschil redelijk, evenals een uurtarief van € 250,00, te vermeerderen met BTW en inclusief kantoorkosten.

De rechtbank begroot de kosten dan ook op € 6.128,00 (inclusief € 78,– griffierecht) en zal (verweerder 1) veroordelen tot betaling van dit bedrag aan (verzoeker).

 

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: