Arbeidsongeval. Onkostenvergoeding leverde een reëel voordeel op voor werknemer: derhalve is er sprake van schade.

Rechtbank Oost-Brabant, 6 april 2018
Verzoeker) valt -tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden bij (verweerder)- van een hoogte van 6,25 meter naar beneden. Hierbij loopt (verzoeker) ernstig (enkel)letsel op. (Verzoeker) is tot op heden volledig arbeidsongeschikt en hij ontvangt een WIA-uitkering. (Verweerder) heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval volledig erkend.

Partijen verschillen van mening over het salaris dat (verzoeker) verdiend zou hebben als het ongeval hem niet zou zijn overkomen. Naast salaris ontving (verzoeker) namelijk diverse onkostenvergoedingen. De vraag is hoe met de begroting van de schadepost VAV omgegaan moet worden met onkostenvergoedingen.

De kantonrechter is van oordeel dat uitgegaan moet worden van het aan (verzoeker) uitbetaalde basissalaris plus de -na een bruto/netto omrekening overgebleven- onkostenvergoedingen.

Verzoek Rechtbank
(Verzoeker) verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,(1) (Primair) te bepalen dat bij het berekenen van het inkomen van (verzoeker) zonder ongeval als uitgangspunt heeft te gelden het salaris met onkostenvergoeding, zoals dat door het NRL in scenario 1 is berekend op een consumptief inkomen van € 29.097,-, dan wel;

(Subsidiair) te bepalen dat bij het berekenen van het inkomen van (verzoeker) zonder ongeval als uitgangspunt heeft te gelden het salaris, zoals dat door het NRL in scenario 2 is berekend op een consumptief inkomen van € 27.239,-;

Het gaat hier om de vraag of en zo ja, op welke wijze de onkostenvergoedingen moeten worden verdisconteerd in de begroting van de schadepost VAV. Enerzijds moet worden beoordeeld of bij begroting van het salaris voor ongeval rekening moet worden gehouden met deze onkostenvergoedingen en zo ja, op welke wijze. Voorts zal moeten worden beoordeeld of de aan (verzoeker) toegekende WIA-uitkering onverkort als uitgangspunt mag worden genomen bij de begroting van het inkomen na ongeval of dat er een correctie op die uitkering aangewezen is.De inhoud van de afspraak die de werkgever van (verzoeker) heeft gemaakt met de Belastingdienst ten aanzien van de te verstrekken onkostenvergoedingen is en blijft onduidelijk. De gestelde afspraak, die neerkomt op het belastingvrij mogen vergoeden van onkosten, is weliswaar summier weergegeven in een mail van de boekhouder. De afspraak is echter niet verifieerbaar gebleken, terwijl aan de juistheid daarvan door (verweerder) wordt getwijfeld. Niet zonder reden, want de ratio van een onkostenvergoeding is dat die wordt verstrekt ter dekking van kosten.

Het staat vast dat (verzoeker) voor het ongeval een aantal onbelaste onkostenvergoedingen ontving. Nu er een aanmerkelijk verschil bestaat tussen de hoogte van de werkelijke kosten en de hoogte van verstrekte vergoedingen en het basissalaris dat van (verzoeker) voor het ongeval verdiende relatief laag was, is er naar het oordeel van de kantonrechter meer nodig dan een niet te verifiëren mededeling van de boekhouder van (verzoeker) formele werkgever, om te rechtvaardigen dat de onkostenvergoedingen (minus de werkelijk gemaakte kosten) als netto componenten worden meegenomen bij begroting van de schadepost VAV.

De kantonrechter is van oordeel dat bij begroting van de post VAV moet worden uitgegaan van een inkomen voor ongeval dat bestaat uit het aan (verzoeker) uitbetaalde basissalaris, te vermeerderen met de genetteerde onkostenvergoedingen na aftrek van de werkelijk gemaakte kosten. De bruto/netto omrekening vloeit voort uit het gegeven dat de onbelast verstrekte onkostenvergoedingen na aftrek van werkelijk gemaakte kosten moeten worden aangemerkt als verkapt loon, waarover belastingen en premies verschuldigd zijn behoudens andersluidende afspraken die in casu niet zijn komen vast te staan (HR 24 november 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA8453).

Het primaire verzoek van (verzoeker) is derhalve toewijsbaar.

De kantonrechter wijst het tegenverzoek van (verweerder) af. Er is geen grond om in de situatie mét ongeval de hoogte van de WIA-uitkering van (verzoeker) abstract te berekenen, in die zin dat daarbij als uitgangspunt wordt genomen enkel het salaris dat aan verzoeker werd uitbetaald, zonder de onkostenvergoedingen daarin te betrekken. Immers, het UWV heeft de uitkering gebaseerd op alle inkomensgegevens die uit de loonstroken van (verzoeker) bleken: er zijn geen componenten aan het zicht van het UWV onttrokken. 

(2) (Verweerder) te veroordelen om aan (verzoeker) te voldoen een bedrag van € 15.000,- als voorschot op de post VAV; Vast staat in elk geval dat (verzoeker) haar verzoek om een voorschot heeft gebaseerd op te hoge bedragen aan salaris voor ongeval. Bij deze stand van zaken ziet de kantonrechter onvoldoende grond om te oordelen dat het tot dusver verstrekte voorschot op de post ‘derving arbeidscapaciteit’ ontoereikend is geweest.De kantonrechter wijst het verzoek tot bevoorschotting dan ook af. De kantonrechter verwacht -net als in het buitengerechtelijke voortraject is gebleken- een coöperatieve houding van (verweerder) indien het duidelijk is dat er aanleiding is tot aanvullende bevoorschotting. 
(3) te bepalen dat (verweerder) ter zake van reeds gedeclareerde maar nog niet betaalde buitengerechtelijke kosten aan (verzoeker) dient te voldoen; Ter zitting heeft (verweerder) toegezegd dat ze de declaraties zo spoedig mogelijk zal voldoen. Gelet op deze toezegging, zal de kantonrechter het verzoek toewijzen met daarbij de aantekening dat als (verweerder) inmiddels heeft betaald, ze daarmee van dit punt van de veroordeling zal zijn gekweten.
(4) te bepalen dat (verweerder) betreffende de kosten van onderhavig deelgeschil een bedrag van € 3.333,43 incl. BTW en kantoorkosten aan (verzoeker) moet voldoen plus de nota van het NRL moet voldoen. (Verweerder) voert verweer tegen het aantal uren, het in acht nemen van kantoorkosten en de kosten die door het NRL -nodeloos- zijn gemaakt. Aanpassing van het uurtarief naar € 230,– stuit niet op bezwaren van (verweerder).De kantonrechter ziet onvoldoende redenen om te komen tot een tijdsreductie. Het in acht nemen van kantoorkosten acht de kantonrechter niet onredelijk. Ten slotte is het verweer dat de berekeningen van het NRL niet zijn gevolgd, op zichzelf onvoldoende voor het in vergoeding laten komen van deze kosten.

De vordering tot betaling van de (bijgestelde) nota van de belangenbehartiger van (verzoeker) is toewijsbaar. Samen met de kosten van het NRL en de (aanvullende) kosten van het deelgeschil begroot de kantonrechter het totaal aan kosten op € 10.043,34. (Verweerder) wordt veroordeeld tot betaling van deze kosten aan (verzoeker).

Een werknemer kan (on)kosten maken voor de uitoefening van zijn beroep die door de werkgever worden vergoed. Indien de (on)kosten variabel zijn en conform de daadwerkelijk gemaakte kosten zijn, dan is er geen sprake van inkomen (en dus van schade). Wanneer een werknemer reëel voordeel behaalt met een (on)kostenvergoeding -het ‘verkapte’ loon- dan is er allicht sprake van misgelopen inkomen en dus van schade. Deze schade wordt netto uitgekeerd, na aftrek van daadwerkelijk gemaakte kosten.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: