Afwijzing verzoek om causaal verband vast te stellen, afwijzing verzoek tot bevoorschotting. Allereerst is objectief deskundigenonderzoek nodig.

Rechtbank Midden-Nederland, 25 april 2018
(Verzoekster) -rijdend in haar personenauto- wordt aan de linker achterzijde aangereden door een automobilist, de WA-verzekerde van (verweerder). (Verweerder) heeft de aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van het ongeval erkend.

In het kader van de letselschadeafwikkeling is er -op gezamenlijk verzoek van partijen- een orthopedische expertise verricht. De deskundige komt tot de conclusie dat een relatie tussen de gepresenteerde klachten en het litigieuze ongeval niet met zekerheid vastgesteld kan worden.

Partijen verschillen van mening over de vraag of er sprake is van (voortdurende) klachten en beperkingen bij (verzoekster) die aan het ongeval kunnen worden toegeschreven en over de vraag of (verweerder) gehouden is een (substantieel) voorschot te voldoen.

De rechter wijst het verzoek af om het causale verband vast te stellen. Een objectief medisch onderzoek is nodig; de rechtbank benadert dan ook zelf een van de door partijen voorgestelde deskundige (een psychiater).

Verzoek Rechtbank
(Verzoekster) verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, en na aanvulling van het verzoek:

(1) voor recht te verklaren dat de klachten van (verzoekster) in causaal verband staan met het ongeval;

De vraag die moet worden beantwoord is of het causaal verband tussen de gestelde klachten (en beperkingen) enerzijds en het ongeval anderzijds op dit moment kan worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de medische informatie waarnaar zij verwijst niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van causaal verband tussen het ongeval en de gestelde klachten van (verzoekster). Die medische informatie is namelijk afkomstig uit de behandelend sector.Als er discussie is over het causaal verband, moet er objectief onderzoek gedaan worden. Daaraan is weliswaar deels, namelijk voor wat betreft de lichamelijke klachten, voldaan. Voor wat betreft de psychische klachten geldt dat er nog geen onafhankelijk deskundigenonderzoek is verricht.

(Verzoekster) heeft onvoldoende onderbouwd gesteld, de nu beschikbare gegevens zijn daarvoor in ieder geval niet toereikend, dat het vereiste causaal verband tussen haar klachten en het haar overkomen ongeval bestaat. Er is eerst nader onderzoek naar de medische causaliteit nodig voordat de (juridische) causaliteit kan worden beoordeeld. Ook zijn partijen het er over eens dat psychiatrisch onderzoek moet volgen. Vervolgens zal een verzekeringsgeneeskundige aan de hand van de uitkomsten van de medische onderzoeken een belastbaarheids- en beperkingenprofiel moeten opstellen, waarna er een arbeidsdeskundige geraadpleegd moet worden over de verdiencapaciteit van (verzoekster).

Op dit moment is derhalve nog geenszins het stadium bereikt dat duidelijkheid bestaat over de klachten, en de beperkingen die daarvan het gevolg zijn, die kunnen worden toegeschreven aan het (verzoekster) overkomen ongeval. Het verzoek om het causaal verband tussen klachten en ongeval vast te stellen zijn, zal daarom worden afgewezen.

(2) één van de door (verzoekster) voorgedragen psychiaters te benoemen als onafhankelijke deskundige om op verzoek van partijen en op kosten van (verweerder) een psychiatrische expertise te verrichten aan de hand van de IWMD-vraagstelling; Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat met dit verzoek bedoeld is aan de rechtbank voor te leggen te beslissen welke deskundige de expertise moet verrichten. In overleg met partijen is afgesproken dat de rechtbank contact zal opnemen met (X) om te informeren of hij bereid is de expertise te verrichten en daartoe ook op korte termijn in de gelegenheid is. (X) heeft de rechtbank daarop laten weten dat hij in de gelegenheid is en het hem ook vrij staat om een expertise aangaande (verzoekster) te verrichten. De rechtbank zal het verzoek toewijzen dat bepaald wordt dat het in gezamenlijke opdracht te entameren psychiatrisch onderzoek zal worden verricht door (X), psychiater.
te bepalen dat (verweerder) binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking aan (verzoekster) door middel van overboeking op haar rekening en onder aftrek van de betaalde voorschotten voldoet;
(3) voorschotten op het geleden verlies arbeidsvermogen, op de immateriële schade;
Op basis van de thans in het geding gebrachte stukken moet vastgesteld kunnen worden dat (verzoekster) een aanspraak heeft op schadevergoeding die de reeds door (verweerder) betaalde voorschotten (significant) overstijgt. Voor (nadere) bewijslevering is in een deelgeschilprocedure in beginsel geen plaats.

Omdat het causaal verband niet kan worden vastgesteld bestaat ook te weinig duidelijkheid over de omvang van de aan het ongeval toe te rekenen schade. Dit betekent dat de rechtbank nu niet kan vaststellen dat (verzoekster) een vorderingsrecht heeft dat het reeds verstrekte voorschot overstijgt. Het verzoek tot bevoorschotting wordt daarom afgewezen.

(4) een bedrag van € 70.000,00 als vergoeding voor openstaande buitengerechtelijke kosten, althans een op dat bedrag te bepalen voorschot; De rechtbank is van oordeel dat de verzochte vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (als voorschot) niet voldoet aan de dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 lid 2 onder b BW. De rechtbank is van oordeel dat in verband met de nog bestaande onduidelijkheid over het causaal verband en daarmee over de omvang van de schade, (verweerder) niet gehouden is tot het voldoen van het in totaal verzochte bedrag aan buitengerechtelijke kosten.

Nu partijen het erover eens zijn dat een psychiatrische expertise nodig is, waarbij het vanzelfsprekend is dat (verzoekster) moet worden bijgestaan door haar advocaat, ziet de rechtbank aanleiding dit deel van het verzoek toe te wijzen tot op een bedrag van € 5.000,00.

(5) een bedrag van € 10.235,15 (inclusief 6% kantoorkosten en 21% btw), te vermeerderen met het griffierecht van € 1.545,00 als te begroten bedrag van de kosten van deze procedure. Tot de indiening van het verzoekschrift heeft (verzoekster) maar liefst 28 uur en 30 minuten aan de kwestie besteed. Aan het opstellen van het verzoekschrift is meer dan 25 uur besteed.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een volstrekt onnodig of onterecht ingediend verzoek, moet wel aan (verweerder) worden toegegeven dat het verzoekschrift “tegen beter weten in is ingediend”. Dit geldt dan met name voor het verzoek over het causaal verband (en in het verlengde daarvan de verzochte betaling van diverse voorschotten). Op basis van de huidige stand van de rechtspraak in deelgeschillen is daarvan inmiddels immers wel duidelijk dat zo’n verzoek wordt afgewezen indien daaraan geen onafhankelijk medisch rapport ten grondslag ligt. Dit heeft daarom als consequentie dat in zoverre niet kan worden geoordeeld dat sprake is van redelijke kosten.

De redelijke kosten zullen door de rechtbank worden begroot op 15 uren x € 190,00, derhalve op € 3.655,41 inclusief BTW en kantoorkosten, te vermeerderen met het door (verzoekster) betaalde griffierecht van € 1.545,00. (Verweerder) zal tot betaling daarvan aan (verzoekster) worden veroordeeld.

De rechtbank is van mening dat (een deel van) het verzoekschrift ‘tegen beter weten in is ingediend’. Er is echter geen sprake van een volstrekt onnodig of onterecht ingediend verzoek.  De kosten van het deelgeschil aan de zijde van (verzoekster) worden  wel -fors- gematigd.

De hoogte van de gevorderde aanvulling op de buitengerechtelijke kosten van maar liefst € 70.000,– is eveneens opvallend. Dit terwijl het causale verband niet vast staat.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: