Bij ontkurken van champagnefles springt deze uit elkaar. Fabrikant en producent aansprakelijk o.g.v. art. 6:185 BW. Verkoper niet

Rechtbank Rotterdam, 2 maart 2018
Op het moment dat (verzoekster) een champagnekurk -vastgeklemd door een ijzeren kapje, op de fles bevestigd met metalen draden- probeert te ontkurken, springt de fles champagne uit elkaar. Door de verspreiding van glassplinters loopt (verzoekster) letsel op.
(Verzoekster) stelt de verkoper, fabrikant en producent aansprakelijk o.g.v. art. 6:185 BW e.v. Daartoe stelt zij dat de fles een gebrekkig product is.
De rechtbank wijst het verzoek jegens de verkoper af. De rechtbank wijst het verzoek jegens de fabrikant en de producent toe. Zij zijn -hoofdelijk- aansprakelijk voor de door het uit elkaar springen van de fles veroorzaakte schade.
Verzoek Rechtbank
Het verzoek van (verzoekster) luidt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

(1) te bepalen dat de verkoper hoofdelijk aansprakelijk is voor de door (verzoekster) geleden en nog te lijden schade;

Vast staat dat de verkoper geen producent is in de zin van art. 6:187 lid 2 BW. De rechtbank stelt verder vast dat niet in geschil dat de fles (net als de wijn) is geproduceerd in Italië en dus binnen de EER als bedoeld in art. 6:187 lid 3 BW. (Verzoekster) kan daarom de door haar geleden schade niet op de verkoper verhalen op grond van productaansprakelijkheid in de zin van art. 6:185 BW.De rechtbank komt verder tot de conclusie dat er ook geen aansprakelijkheid is o.g.v. art. 6:162 BW. Hiervoor zou (verzoekster) moeten stellen en bewijzen dat de verkoper schuld heeft dan wel dat sprake is van een oorzaak die krachtens de wet of maatschappelijke opvattingen voor haar rekening komt. De enkele stelling dat het hier een gebrekkige fles betrof is daartoe niet voldoende. Nu bovendien de daadwerkelijke producent van de fles bekend is, behoeft de vraag in hoeverre nog een aanvullende rol is weggelegd voor het commune onrechtmatige-daads-recht in dit deelgeschil geen beantwoording.
(2) te bepalen dat de fabrikant en de producent hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door (verzoekster) geleden en nog te lijden schade; Het is -conform art. 6:185 BW e.v.- aan (verzoekster) om aan te tonen dat er sprake is van schade, het gebrek en een oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade. Een product is gebrekkig indien het niet de veiligheid biedt die men daarvan mag verwachten, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder de presentatie van het product, het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het product en het tijdstip waarop het product in het verkeer werd gebracht.Van een fles -ook al staat hij onder druk- mag verwacht worden dat deze niet uit elkaar springt indien deze wordt ontkurkt. Dat is hier wel gebeurd. In beginsel kan er daarmee vanuit gegaan worden dat de fles gebrekkig is.

Indien vaststaat dat (verzoekster) de fles die uit elkaar is gesprongen op normale wijze trachtte te openen, ligt in deze toedracht besloten dat de schade is veroorzaakt door een gebrek van de fles, behoudens de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waaruit iets anders zou volgen en behoudens door de producent te leveren tegenbewijs (HR 24 december 1993, NJ 1994, 214 – Leebeek/Vrumona).

De fabrikant en producent hebben onvoldoende concrete feiten en/of relevante omstandigheden aangedragen waardoor aannemelijk gemaakt is dat de door (verzoekster) gestelde toedracht onjuist is. Dat (verzoekster) met de fles tegen iets aan zou hebben geslagen heeft zij betwist; dit is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt en ligt ook, voor een ervaren gebruiker van dergelijke flessen als (verzoekster) niet voor de hand (zij dronk deze wijn, in deze flessen, graag en vaker).

Derhalve is sprake van schade veroorzaakt door een gebrek in de fles. De rechtbank oordeelt dan ook dat de fabrikant en de producent aansprakelijk zijn.

(3) te bepalen dat door (verweerders c.s.) een totaalbedrag van € 25.000,– als voorschot op de schade aan (verzoekster) wordt voldaan, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag; (Verzoekster) moet aantonen dat zij, minimaal ter hoogte van het toe te wijzen bedrag, en rekening houdend met de reeds uitgekeerde voorschotten, schade heeft geleden dan wel zal lijden.De rechtbank zal het verzoek om een voorschot toewijzen tot een bedrag van € 5.000, nu aannemelijk is dat een oordeel in de bodemprocedure wegens de penibele financiële situatie van (verzoekster) niet kan worden afgewacht.

Bij deze begroting houdt de rechtbank er rekening mee dat aan (verzoekster) reeds voorschotten zijn uitbetaald. Daarnaast zijn bepaalde schadeposten -VAV, huishoudelijke hulp- voldoende aannemelijk gemaakt, maar in het onderhavige geval te ruim begroot.

(4) de kosten van deze deelgeschilprocedure te begroten op € 15.220,02, dit met veroordeling van (verweerders c.s.) tot betaling aan (verzoekster) van de kosten van deze procedure en te bepalen dat door (verweerders c.s.) een totaalbedrag van € 7.500 als voorschot aan de advocaat van (verzoekster) wordt voldaan; Het verzoek van (verzoekster) is gebaseerd op 44,42 gewerkte uren maal een uurtarief van € 240, verhoogd met 6% kantoorkosten en vermeerderd met reeds voldane verschotten. Verweerders sub 1 en sub 2 achten het gehanteerde uurtarief en de omvang van de werkzaamheden niet redelijk. Voor wat betreft het uurtarief acht de rechtbank, gelet op de complexiteit van de zaak en de werkervaring (advocaat sinds 2011) en het specialisme een uurtarief van € 200,00 en de na te noemen advocatenuren in het kader van dit deelgeschil redelijk. Een opslag van 6% voor kantoorkosten is een gebruikelijke opslag.

De rechtbank begroot in redelijkheid de kosten voor de buitengerechtelijke behandeling op 25 uur (€ 6.413,–) en de kosten van dit deelgeschil op 16 uur (€ 4.925,12), inclusief behandelingen ter zitting en reistijd. De rechtbank veroordeelt de fabrikant en de producent het totaalbedrag (€ 11.338,12) te voldoen.

Het verzoek tot betaling van een voorschot van € 7.500 aan de advocaat van (verzoekster) zal worden afgewezen. De rechtbank acht voor een dergelijk voorschot geen rechtsgrond aanwezig.

Uit allerlei onderzoeken komt vast te staan dat de zaak ondeugdelijk is vanaf het moment dat de zaak de fabriek heeft verlaten. Wanneer (verzoekster) weet aan te tonen dat de zaak gebrekkig is, dan is er sprake van (risico)aansprakelijkheid, tenzij… (op de fabrikant / producent rust dan dus de stelplicht en bewijslast).

De rechtbank matigt verder -gelet op complexiteit van de zaak en werkervaring van de belangenbehartiger- het uurtarief  en het aantal bestede uren van de belangenbehartiger. De rechtbank maakt -anders dan verzoeker- wel een onderscheid tussen de kosten van het deelgeschil en de buitengerechtelijke kosten.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: