Partijen niet gebonden aan deskundigenberichten dat op gezamenlijk verzoek was aangevraagd

Rechtbank Rotterdam, 27 december 2017
Verzoekster zat in een bij Allianz verzekerde auto die in de slip is geraakt en tegen een boom tot stilstand is gekomen. Verzoekster is ernstig gewond geraakt. Allianz heeft de volledige aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval erkend. Op gezamenlijk verzoek is een neurologische expertise uitgevoerd. (Persoon 1) heeft daarbij gebruik gemaakt van een hulponderzoek van neuropsycholoog (persoon 2). Verzoekster zou op het aanvullend neuropsychologisch onderzoek hebben ondergepresteerd. Vervolgens heeft Allianz – zonder overleg met verzoekster – het rapport geanonimiseerd hebben voorgelegd aan een neuroloog (persoon 3).
Verzoek Rechtbank
(verzoekster) verzoekt –

(1) te bepalen dat Allianz een aanvullend voorschot op de reeds gemaakte buitengerechtelijke kosten zal voldoen van € 12.904,62;

(verzoekster) heeft als juist erkend dat Allianz (…), na de indiening van het onderhavig verzoekschrift het verzochte voorschot op de buitengerechtelijke kosten ad € 12.904,62 heeft voldaan. Hieruit volgt dat het recht op en belang van (verzoekster) bij dat voorschot niet langer aanwezig is, zodat het daarop betrekking hebbende verzoek dient te worden afgewezen.
 (2) te bepalen dat het rapport van (persoon 1] en de door (persoon 1) ingeschakelde neuropsychologe (persoon 2) als uitgangspunt voor de verdere regeling van de zaak van (verzoekster) dient te worden gebruikt; Als uitgangspunt geldt dat partijen in beginsel gebonden zijn aan een deskundigenbericht dat op hun gezamenlijk verzoek is uitgebracht, tenzij er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren bestaan tegen dit bericht. Hiervan is onder meer sprake wanneer het deskundigenbericht niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica.

De rechtbank kan niet beoordelen of de conclusies van (persoon 1) en (persoon 2) op neurologisch respectievelijk neuropsychologisch terrein juist zijn. Zij kan wel beoordelen of de deskundigen in hun rapporten voldoende inzichtelijk hebben gemaakt waarom zij tot deze conclusies zijn gekomen.

De symptoomvaliditeitstesten zijn bedoeld om te verifiëren of de overige testresultaten een betrouwbaar beeld geven. Wanneer bij de symptoomvaliditeitstest onderpresteren wordt geconstateerd, is de logische conclusie dat de overige testresultaten niet betrouwbaar zijn en daaruit dus geen of hoogstens in zeer beperkte mate gevolgtrekkingen kunnen worden gemaakt. (…) Omdat (persoon 2) wel concludeert dat uit de resultaten van het neuropsychologisch expertiseonderzoek blijkt dat sprake is van cognitieve stoornissen, als concentratie-, aandacht- en inprentingsstoornissen, zij het dat het cognitieve prestatieniveau mogelijk lichtelijk gedrukt wordt door factoren als de stemmingsproblematiek, het verstoorde aanpassingsproces en de vermoeidheid, is (persoon 2) kennelijk van mening dat de onderliggende testresultaten, ondanks het geconstateerde onderpresteren, voldoende betrouwbaar zijn. (…)

Die observaties maken aannemelijk dat er geen sprake is van opzettelijk onderpresteren van (verzoekster) , maar maken onvoldoende duidelijk waarom (persoon 2) de testresultaten voldoende betrouwbaar acht. Immers, relatief snel opgeven en gehaast cq. met een wisselend tempo werken kunnen, zoals (persoon 3] opmerkt en door (verzoekster) niet is bestreden, ook op onderpresteren duiden.

Nadat zij daar bij brief van 9 januari 2014 op is gewezen heeft (persoon 1) haar conclusie dat sprake is van stoornissen van het geïntegreerde mentale functioneren, die betrekking hebben op het cognitief en praktisch functioneren, veroorzaakt door een hersenbeschadiging gehandhaafd, met dien verstande dat zij neurologische impairment volgens de AA guides 5de druk en aangevuld met de richtlijnen van de Nederlandse vereniging voor neurologie niet langer op 10 procent maar op 5 procent van de gehele mens waardeert.

Dat concentratie problematiek waardoor een beperkte energie belasting neurologisch zeer waarschijnlijk is, staat niet in het rapport van 2 maart 2012, zodat van (persoon 1) mocht worden verwacht dat zij dat inzichtelijk zou maken. (Persoon 1) heeft dat echter niet gedaan.

(…) In aanmerking nemende dat er (…) ook observaties waren die kunnen duiden op onderpresteren maakt dit nog steeds onvoldoende duidelijk dat de testresultaten van het neuropsychologisch onderzoek voldoende betrouwbaar waren. Dit geldt te meer nu (persoon 1) in die brief tevens vermeldt dat het aan de herbeoordeling gevraagd aan (persoon 2) is of de mate van onderpresteren dermate ernstig was dat dit rechtvaardigt om de eerder getrokken conclusie van het rapport (dat er sprake is van cognitieve stoornissen) teniet te doen. De juistheid van die vraagstelling daargelaten, is immers niet gebleken is dat een herbeoordeling door (persoon 2) heeft plaatsgevonden.

Op grond van het vorenstaande is het ter zijde laten van het onderpresteren dat blijkt uit de uitslag van een symptoomvaliditeitstest (de AKTG) en dat normaliter meebrengt dat de overige testresultaten niet betrouwbaar zijn, een in het oog springende eigenaardigheid, die zowel in het rapport van (persoon 2) als in de rapportage van (persoon 1) onvoldoende is onderbouwd. Aangezien de diagnose van (persoon 1) dat sprake is van cognitieve stoornissen berust op de neuropsychologische expertise van (Persoon 2) is hierdoor een zodanig zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het rapport van (persoon 1) dat Allianz hieraan niet gebonden kan worden. Het vorenstaande leidt tot afwijzing van verzoek van (verzoekster).

 (3) dat de rechtbank de kosten voor de onderhavige procedure vaststelt en toewijst overeenkomstig de kostenopgave van (verzoekster) , danwel op een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.  (3) Rekening houdende met de duur van de zitting van 2,15 uur heeft de advocaat van verzoekster volgens de ter zitting door (verzoekster) gedane opgave in totaal (20,95 + 2,15 =) 23,10 uur aan de zaak besteed, waarvan 7,55 uur aan het vervaardigen van het verzoekschrift en 9,15 uur aan de voorbereiding van de zitting. De rechtbank acht dat aantal uren niet redelijk, nu van een gespecialiseerde letselschadeadvocaat verwacht mag worden dat deze minder tijd dan gemiddeld nodig heeft voor de voorbereiding van een zaak met de complexiteit als de onderhavige. Naar het oordeel van de rechtbank is in totaal 18 uren, waarvan 11,5 uren voor de voorbereiding, inclusief het opstellen van het verzoekschrift en 6,5 uren voor de zitting, inclusief de voorbespreking met cliënte en reistijd, en afwikkeling redelijk.

De rechter heeft de rapporten van de deskundigen getoetst aan de eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica. De rapporten bleken niet aan deze eisen te voldoen. Uit de symptoonvaliditeitstest is naar voren gekomen dat bij verzoekster sprake was van onderpresteren. Beide deskundigen hebben (in eerste instantie) geen gevolgen verbonden aan het onderpresteren in hun rapport. Volgens de rechter zou dit onderpresteren normaliter meebrengen dat de overige testresultaten niet betrouwbaar zijn. Dat dit niet is meegenomen acht de rechter een in het oog springende eigenaardigheid. Zodoende zijn partijen niet gebonden aan deze rapporten.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: