Niet mogelijk om aansprakelijkheid vast te stellen i.v.m. onvoldoende vaststaande feiten

Rechtbank Noord-Nederland, 2 mei 2017
Verzoeker is geopereerd aan zijn knie. Tijdens een bezoek aan de sanitaire ruimte is verzoeker duizelig geworden en is ten val gekomen. Kort voordat verzoeker zijn bewustzijn verloor heeft hij aan een rood koord getrokken waardoor de (alarm)bel is afgegaan. Vervolgens is bij verzoeker een hoge incomplete dwarslaesie geconstateerd. Verzoeker is van zijn voeten tot zijn schouders verlamd geraakt. De verzekeraar van het ziekenhuis heeft de aansprakelijkheid afgewezen.
Verzoek Rechtbank
(verzoeker) verzoekt de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

 

(1) voor recht te verklaren dat Martini Ziekenhuis onzorgvuldig jegens (verzoeker) heeft gehandeld, hetgeen heeft geresulteerd in het valincident van 13 februari 2016,

 

(2) te bepalen dat Martini Ziekenhuis aansprakelijk is voor het valincident en daardoor geleden en nog te lijden schade aan de zijde van (verzoeker) ,

 

(3) te bepalen dat Martini Ziekenhuis gehouden is binnen 14 dagen na de in deze te wijzen beschikking een bedrag van € 50.000,00 ter zake een voorschot op de schade die (verzoeker) heeft geleden en zal lijden te vergoeden,

(1)(2)(3) Het onderhavige verzoek (…) valt binnen de omschrijving van artikel 1019w Rv. Nu de aansprakelijkheidsvraag komt vóór alle andere vragen die partijen verdeeld houden en nog verdeeld zouden kunnen houden, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

 

Bij de beoordeling van een deelgeschil dient de rechtbank zich wel de vraag te stellen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat deze opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. (…) De rechtbank is op grond van het navolgende van oordeel dat dit geval zich in deze zaak voordoet.

 

Partijen zijn sterk verdeeld over onder meer de voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van belang zijnde omstandigheden waaronder de val van (verzoeker) in de sanitaire ruimte van Martini Ziekenhuis op 13 februari 2016 heeft plaatsgevonden, over de medische gesteldheid van (verzoeker) kort voor het ongeval en over de vraag of Martini Ziekenhuis het protocol (de richtlijn valpreventie) in acht had dienen te nemen/heeft genomen.

 

In het licht van dit alles kan de rechtbank thans niet als vaststaand aannemen dat (verzoeker) aan de verpleegkundige heeft kenbaar gemaakt dat hij het toilet wilde gebruiken, en dat zij vervolgens – zonder afspraken omtrent de toiletgang – (verzoeker) in de sanitaire ruimte heeft achtergelaten. Evenmin kan, op basis van hetgeen nu bekend is, worden aangenomen dat de fysieke gesteldheid van (verzoeker) zodanig was dat de verpleegkundige hem hoe dan ook (dus ongeacht of er afspraken waren gemaakt/instructies waren gegeven over de toiletgang) niet alleen in de sanitaire ruimte had mogen achterlaten zodat het door (verzoeker) subsidiair betrokken standpunt ook niet tot toewijzing van het verzoek kan lijden.

 

Wil de rechtbank de door (verzoeker) onder I. verzochte verklaring voor recht uit kunnen spreken, dan is zowel voor de beoordeling van de primaire als de subsidiaire grondslag nadere bewijslevering onvermijdelijk.

(…) Op grond van door beide partijen overlegde stukken kan de rechtbank op dit moment onvoldoende de feiten, die van belang zijn voor het beantwoorden van de aansprakelijkheidsvraag, vaststellen. De nadere bewijslevering zal, gelet op het aantal punten dat tussen partijen in discussie is, naar het zich laat aanzien niet beperkt blijven tot het horen van een enkele getuige. Van een snelle beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag zal dan ook geen sprake kunnen zijn. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst niet opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van deze deelgeschilprocedure. Het verzochte onder I., II. en III. zal daarom op grond van het bepaalde bij artikel 1019z Rv worden afgewezen.

 (4) Martini Ziekenhuis te veroordelen in de kosten van deze procedure. (4) (…)Dat het verzoek is afgewezen omdat het zich niet leent voor de behandeling in deelgeschil, betekent niet dat het indienen van het verzoekschrift en het maken van de daarmee gepaard gaande kosten in dit geval onredelijk was. Mede tegen de achtergrond van het nu in deelgeschil gevoerde partijdebat over de voor de aansprakelijkheid van belang zijnde feiten, kan het door (verzoeker) ingediende verzoekschrift niet bij voorbaat als volstrekt onnodig of kansloos worden beschouwd.

 

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en de complexiteit van de zaak, het gevorderde aantal uren de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaat. De rechtbank acht een besteding van 24 uren aanvaardbaar. Het door de advocaat van (verzoeker) gehanteerde uurtarief vermeerderd met kantoorkosten en BTW heeft Martini Ziekenhuis niet betwist en komt de rechtbank ook niet onredelijk voor. De rechtbank begroot de kosten van dit deelgeschil daarom op € 7.899,84 (24 uur x € 245,00 + 7% kantoortoeslag en 21% BTW, vermeerderd met het door (verzoeker) betaalde griffierecht van € 287,00).

De rechter kan in deze procedure onvoldoende de feiten vast stellen die voor de aansprakelijkheidsvraag van belang zijn. In het kader van deze deelgeschilprocedure gaat een bewijsopdracht te ver.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: