Aanrijding fietser en brommer hoofdzakelijk veroorzaakt door verkeersfout fietser: 50% eigen schuld.

Rechtbank Noord-Nederland, 27 juli 2017
(Verzoekster) verlaat op haar fiets een oprit/uitrit zonder hierbij voorrang te verlenen aan een voor haar links komende groep van 20 fietsers, een groep die haar reeds op een afstand van 2 meter was genaderd. (Verzoekster) komt vervolgen ten val na een aanrijding met een bromfietser -WA-verzekerde van (verweerder) die bezig was de groep van 20 fietsers in te halen.

(Verzoekster) stelt (verweerder) aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval. (Verweerder) erkent de aansprakelijkheid voor 50%. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag in welke mate (verweerder) aansprakelijk is voor de gevolgen van het verkeersongeval (tussen een gemotoriseerde en een ongemotoriseerde).

De rechtbank komt tot het oordeel dat de aanrijding hoofdzakelijk is veroorzaakt doordat (verzoekster) geen voorrang heeft verleend. Derhalve ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de 50%-regel: (verweerder) moet 50% van de schade vergoeden, de resterende schade blijft voor rekening van (verzoekster) zelf.

Verzoek Rechtbank
(Verzoekster) verzoekt de rechtbank, bij uitvoerbaar te verklaren beschikking:
(1) voor recht te verklaren dat (verweerder) de volledige schade dient te vergoeden die zij lijdt als gevolg van het haar overkomen ongeval, althans te bepalen in hoeverre haar enige mate van eigen schuld valt te verwijten,
Tussen partijen is niet in geschil dat (verzoekster) de oprit/uitrit heeft verlaten zonder daarbij voorrang te verlenen aan de voor haar van links komende groep fietsers en aldus voor de WA-verzekerde van (verweerder). (Verzoekster) heeft daarmee artikel 54 RVV overtreden. De overtreding van de voorrangsregel is een gevaar zettende handeling, waarvan een aanrijding als hier heeft plaatsgevonden het voorzienbaar gevolg is.Betreffende de bijdrage van de verzekerde van (verweerder) acht de rechtbank bewezen dat hij een verkeersovertreding heeft begaan en dat zijn snelheid kort voor het ongeval rond de 55 km/h en 60 km/h moet hebben gelegen, waar ingevolge artikel 20 RVV binnen de bebouwde kom (op de rijbaan) 45 km/h was toegestaan.

Vast staat dat de aanrijding heeft plaatsvonden ter hoogte van de oprit die toegang geeft tot de woning van de ouders van (verzoekster). Gezien de plaats van het ongeval en de omstandigheid dat (verzoekster) voor de naderende groep fietsers, welke groep haar reeds op een afstand van 2 meter was genaderd, de weg is overgestoken, moet het er voor worden gehouden dat de verzekerde van (verweerder) (zeer) weinig tijd heeft gehad te anticiperen op de zich voor hem opdoemende (verzoekster).

Omdat het ongeval zich voor de oprit heeft voorgedaan moet het er voorts voor worden gehouden dat (verzoekster) zijn inhaalmanoeuvre langs de grote groep fietsers heeft ingezet op een moment dat de linker helft van de rijbaan (bezien vanaf WA-verzekerde) voor hem vrij toegankelijk was. Toen (verzoekster) de weg overstak was verzekerde dus al bezig met inhalen. Hoewel de remweg van verzekerde korter zou zijn geweest als hij zich aan de voor hem geldende maximum snelheid had gehouden, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat hij de aanrijding dan had kunnen voorkomen. Dit gelet op het feit dat de aanrijding plaatsvond direct nadat (verzoekster) de (voor haar) rechter weghelft had bereikt. Op dat moment moet zij voor verzekerde als het ware “uit het niets” zijn verschenen.

De rechtbank is daarom van mening dat het ongeval hoofdzakelijk is veroorzaakt doordat (verzoekster) verzekerde geen voorrang heeft verleend. Nu verzekerde moet worden verweten dat hij een te hoge snelheid heeft gereden, stelt de rechtbank de causale verdeling op 70%-30% ten nadele van (verzoekster). Derhalve bestaat op grond van de causaliteitsafweging geen aanleiding af te wijken van voornoemde 50%-regel.

Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vraag of de zogenoemde billijkheidscorrectie een andere verdeling eist dan de causale verdeling 50%-50%. Het moet gaan om de aanwezigheid van specifieke, individuele factoren die tot gevolg hebben dat de billijkheid in dit concrete geval een andere verdeling eist dan de uitkomst van de beoordeling op basis van de causaliteit. Gelet op de ernst en verwijtbaarheid van de snelheidsovertreding van verzekerde afgezet tegen de verkeersovertreding van (verzoekster), ziet de rechtbank geen aanleiding voor een nadere billijkheidscorrectie.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het verzoek in zoverre zal worden toegewezen, dat voor recht verklaard wordt dat (verweerder) aansprakelijk is voor 50% van de schade van (verzoekster) als gevolg van het ongeval.

(2) de buitengerechtelijke kosten van onderhavige procedure te begroten op een bedrag van € 2.770,42, (verweerder) te veroordelen tot betaling van dit bedrag aan (verzoekster) en (verweerder) te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de nakosten, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente. (Verzoekster) begroot de bestede tijd aan het opstellen van het verzoekschrift, de bestudering van het verweerschrift, besprekingen met haar en de mondelinge behandeling in totaal op 9 uur. Het aantal uren maal het gehanteerde uurtarief van € 240,00, vermeerderd met 6% kantooropslag en BTW resulteert dit in een vordering van € 2.770,42). (Verweerder) voert verweer.De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en de complexiteit van de zaak, het gevorderde aantal uren de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaat. De rechtbank acht een besteding van 7 uren in een (betrekkelijk) overzichtelijke zaak als de onderhavige aanvaardbaar. Het door de advocaat van (verzoekster) gehanteerde uurtarief komt de rechtbank niet onredelijk voor.

De rechtbank begroot de kosten van dit deelgeschil daarom op € 2.442,79 (7 uur x € 240,00 + 6% kantoortoeslag + 21% BTW + € 288,– griffierecht). Indien de schadevergoedingsplicht op grond van art. 6:101 BW evenredig met de mate van eigen schuld van de benadeelde wordt verminderd, geldt dit ook voor de kosten van de behandeling van het deelgeschil. (Verweerder) zal derhalve worden veroordeeld tot betaling van 50% van de begrote kosten, zijnde een bedrag van € 1.221,38. Voor de verzochte nakosten is geen plaats in een deelgeschilprocedure. 

In deze kwestie hebben zowel (verzoekster) als de verzekerde van (verweerder) verkeersfouten gemaakt. De een -(verzoekster)- komt uit een oprit en verleend geen voorrang aan het overige verkeer. De ander -verzekerde van (verweerder) – reed met een hogere snelheid dan binnen de bebouwde kom is toegestaan.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het ongeval hoofdzakelijk is veroorzaakt door de verkeersfout van (verzoekster). Het aandeel van (verzoekster) wordt ‘getaxeerd’ op 70%. In verband met de 50%-regel wordt het percentage ‘teruggebracht tot 50%’ en er is vervolgens geen enkele reden om van dit percentage af te wijken.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: