Overmacht door vorderende scooterbestuurder niet aangetoond, reflexwerking art. 185 WVW

Rechtbank Oost-Brabant, 29 janauri 2018
Verzoekster is – rijdend op haar scooter – tijdens een inhaalmanoeuvre in aanraking gekomen met verweerder, die op zijn fiets voor haar reed. Verzoekster is daarbij ten val gekomen en stelt letsel ten gevolge van het ongeval te hebben opgelopen.
Verzoek Rechtbank
(Verzoekster) verzoekt de rechtbank:

 

(1) voor recht te verklaren dat (verweerder) volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van de aanrijding op 2 september 2014, ten gevolge waarvan (verzoekster) letsel heeft;

(2) veroordeling tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding aan (verzoekster) van € 40.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;

(1) De rechtbank stelt voorop, dat (…) het ongeval heeft plaats gevonden op de weg en dat bij het ongeval een gemotoriseerde en een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer waren betrokken. In zoverre dient het geschil te worden beoordeeld aan de hand van artikel 185 WVW en in deze concrete situatie (…) aan de hand van de door (verzoekster] aangehaalde reflexwerking van artikel 185 WVW (zie onder meer HR 6 februari 1987, NJ 1988, 57 en HR 4 mei 2001, NJ 2002, 214).
De rechtbank gaat er (…) bij de verdere beoordeling van deze zaak vanuit, dat (verweerder) ten tijde van het ongeval slingerde en naar links uitweek in de richting van (verzoekster), net op het moment dat zij hem wilde passeren. Aan de orde is de vraag of (verzoekster) met dit relaas een geslaagd beroep kan doen op de reflexwerking van artikel 185 WVW in die zin, dat zij zich met succes op overmacht kan beroepen. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

De reflexwerking van artikel 185 WVW houdt in dat bij een aanrijding tussen een motorrijtuig waarmee op een weg wordt gereden en een fietser, waarbij schade wordt toegebracht aan de bestuurder van het motorrijtuig of aan het motorrijtuig zelf, behoudens overmacht aan de zijde van de gemotoriseerde, de schade (letsel-, dan wel zaakschade) – hoewel de fietser schuld heeft aan de aanrijding – in beginsel voor een gedeelte voor rekening blijft van de eigenaar van het motorrijtuig (zie onder meer HR 6 februari 1987, NJ 1988, 57 en HR 4 mei 2001, NJ 2002, 214). Het antwoord op de vraag voor wélk gedeelte, hangt af van de causaliteitsafweging die in het kader van artikel 6:101, lid 1 BW dient te worden gemaakt, waarna de in dat artikel opgenomen billijkheidscorrectie aan de orde kan komen. Daaruit kan voortvloeien dat de gehele schade van de gemotoriseerde door de ongemotoriseerde moet worden vergoed.

Het beroep van de eigenaar van een motorrijtuig op overmacht in de zin van artikel 185, lid 1 van de WVW gaat slechts op als hij aannemelijk maakt dat aan de bestuurder van het motorrijtuig ter zake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval, rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Daarbij zijn eventuele fouten van andere weggebruikers – daaronder begrepen het slachtoffer zelf – alleen van belang, indien zij voor de bestuurder van het motorrijtuig zo onwaarschijnlijk waren dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden. (HR 4 mei 2001, NJ 2002, 214 onder 3.6 sub 2.) Wat betreft het criterium “rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt” gaat het daarom niet erom of (verzoekster) “in redelijkheid geen verwijt valt te maken” (vgl. HR 4 oktober 1996, NJ 1997/147) of dat “menselijkerwijs” aan haar niets te verwijten valt (vergelijk de conclusie van de A-G bij laatstgenoemd arrest). Indien in juridisch opzicht aan (verzoekster) enig verwijt te maken valt, hoe gering ook, faalt het beroep op overmacht.

Voor zover zij al niet met het gedrag van (verweerder) (slingeren en uitwijken naar links) rekening had moeten houden, staat vast dat (verzoekster) 20-25 km per uur reed en dat (verweerder) ongeveer 15 km per uur reed (volgens de stelling van (verzoekster) zelf). Dat geeft een behoorlijk snelheidsverschil, terwijl (verzoekster) vlak voor zij ging inhalen zag dat (verweerder) oordopjes in had en met zijn telefoon in de hand reed. Met die snelheid kon zij dan niets meer doen om eventueel afwijkend gedrag van (verweerder) (slingeren, uitwijken) op te vangen. Aan (verzoekster) is in juridisch opzicht verwijtbaar dat ze haar scooter onvoldoende onder controle had, althans een deel van haar controle heeft prijsgegeven door de inhaalmanoeuvre onder voormelde omstandigheden met een snelheid van 20-25 km per uur uit te voeren.
(verzoekster) heeft niet – als subsidiair standpunt – een gemotiveerde invulling gegeven aan de beoordeling van de wederzijdse causaliteit en de billijkheidscorrectie in voormelde zin.

 (3) begroting van de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv met veroordeling van (verweerder) tot betaling van die kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. (3) Ondanks de afwijzing van het verzoek van (verzoekster) , dient in beginsel op de voet van artikel 1019aa Rv begroting plaats te vinden van de kosten die zij heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit deelgeschil.

Mr. Van den Dries stond (verzoekster) al vóór het starten van dit deelgeschil bij en zij was dus al bekend met de casus. In de overgelegde urenspecificatie staan ook de uren genoemd, die mr. Van den Dries in het jaar 2016 aan de zaak van (verzoekster) heeft besteed. Deze uren zal de rechtbank hier buiten beschouwing laten. De rechtbank rekent met de uren vanaf 4 april 2017, wat uitkomt op (afgerond) 5 uur. Deze uren gelden voor de periode tot en met het opstellen van het verzoekschrift. Voor het voorbereiden en bijwonen van de zitting, zal de rechtbank de door (verzoekster) gestelde 5,5 uren rekenen. (verweerder) heeft daartegen ook geen verweer gevoerd.

In totaal komt dit uit op 10,5 uren tegen het tarief van € 230,- (te vermeerderen met btw en 7% kantoorkosten) plus 3 uren (reistijd) tegen het tarief van € 100,- (te vermeerderen met btw). De rechtbank rekent verder met € 285,- aan betaald griffierecht.

In totaal begroot de rechtbank de kosten voor dit deelgeschil aan de zijde van [verzoekster] op € 3.774,70. Nu de aansprakelijkheid van (verweerder) niet vaststaat, zal hij niet in deze kosten worden veroordeeld.

Verzoekster heeft alleen een beroep op overmacht aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Nadat de rechter had geoordeeld dat verzoekster juridisch een verwijt kan worden gemaakt en een beroep op overmacht faalt, is de rechter niet toegekomen aan de vraag of er sprake is van een  wederzijdse causaliteit en de daarmee samenhangende billijkheidscorrectie.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: