Opmerkelijk slechte score bij een symptoomvaliditeitstest. Nader onderzoek is nodig: vooralsnog geen besluit omtrent het causale verband

Rechtbank Gelderland, 16 januari 2018
(Verzoeker) wordt -als voetganger- door een automobilist -WA-verzekerde van (verweerder)- aangereden. (Verzoeker) loopt hierbij letsel op. (Verweerder) heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

De partijen komen overeen dat (deskundige A) een neurologische expertise zal verrichten naar de door (verzoeker) gestelde klachten. (Deskundige A) schakelt op zijn beurt (deskundige B) in voor een neuropsychologische expertise.

De partijen verschillen van mening over de duiding van de deskundigenrapportages. Een van de symptoomvaliditeitstesten wordt zodanig slecht gemaakt dat (deskundige B) opmerkt dat de score kan duiden op suboptimale inzet.

De rechtbank verklaart voor recht dat (verzoeker) een licht schedel/hersenletsel heeft opgelopen. Echter, er is meer informatie nodig voor de vraag of de klachten van (verzoeker) bestaan en of deze in oorzakelijk verband staan tot het ongeval. Hiervoor is meer informatie van een deskundige nodig.

Verzoek Rechtbank
(Verzoeker) heeft verzocht dat de rechtbank bij beslissing in deelgeschil:

(1) voor recht zal verklaren dat (verzoeker) door het hem overkomen ongeval een licht schedel/hersenletsel heeft opgelopen;

De stelling dat (verzoeker) een licht schedel/hersenletsel heeft opgelopen, is door (verweerde) niet weersproken en vindt steun in de medische gegevens die zich in het dossier bevinden. De rechtbank zal voor recht verklaren dat (verzoeker) door het hem overeenkomen ongeval een licht schedel/hersenletsel heeft opgelopen.
(2) zal verklaren voor recht dat de klachten van (verzoeker) toegerekend moeten worden aan het hem overkomen ongeval, alsmede;(3) zal verklaren voor recht dat alle schade die is ontstaan en nog zal ontstaan vanwege deze klachten, vergoed moeten worden door (verweerder), alsmede;

(4) (verweerder) zal veroordelen tot betaling van € 60.000,00 bij wijze van voorschot op de nog vast te stellen schade;

De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat de bewijslast ten aanzien van het bestaan van de klachten rust op (verzoeker) zelf.Ten aanzien van de cognitieve klachten heeft (deskundige A) een neuropsychologisch onderzoek laten verrichten door (deskundige B). Op een van de symptoomvaliditeitstest heeft (verzoeker) zodanig slecht gescoord dat (deskundige B) heeft opgemerkt dat de score kan duiden op suboptimale inzet. (Deskundige B) concludeert dat er op testniveau verschillende aanwijzingen zijn dat de testprestaties geen betrouwbare weergave zijn van de cognitieve capaciteiten van (verzoeker). Op een van de twee symptoomvaliditeitstaken is de score laag en andere testprestaties ligger veel lager dan verwacht in vergelijking met de adequate presentatie. (Verweerder B) geeft samenvattend aan dat de testresultaten over het geheel genomen zeer laag zijn en er discrepanties en inconsistenties zijn waardoor de resultaten geen betrouwbaar beeld lijken te geven van de capaciteiten van (verzoeker) op cognitief gebied.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat zij -met name op het gebied van de cognitieve klachten waarvan aangenomen wordt dat deze een grote rol spelen in het werkzame leven van (verzoeker)- bij de huidige stand van zaken geen definitieve beslissing kan nemen ten aanzien van het bestaan van deze klachten. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden wat de precieze betekenis is van het feit dat (verzoeker) één van de twee symptoomvaliditeitstests onvoldoende maakt, waar het afkappunt van de afgenomen test is gelegen en ook niet hoe het met de sensitiviteit en de specificiteit van de afgenomen tests is gesteld.

Om een beslissing te kunnen nemen over de vraag of de klachten van (verzoeker) bestaan en of deze in oorzakelijk verband staan tot het ongeval, is er meer informatie van een deskundige nodig. Dat betekent dat de bijdrage van de verzochte beslissing op voornoemd punt in dit deelgeschil aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst niet zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Het verzoek van (verzoeker) onder (2) zal dan ook op grond van het bepaalde in art. 1019z Rv worden afgewezen.

Deze beslissing brengt mee dat het verzoeken onder (3) en (4) ook zullen worden afgewezen. 

(5) (verweerder) zal veroordelen tot betaling van de kosten van dit deelgeschil. (Verzoeker) heeft zijn kosten begroot op een bedrag van € 11.736,47 (37 uur x € 245,00 per uur, te vermeerderen met 7% kantoorkosten en 21% BTW).Gelet op de omvang en de moeilijkheidsgraad van het deelgeschil, komt de rechtbank het totaal aantal opgevoerde uren van 37 bovenmatig voor. In redelijkheid begroot de rechtbank de kosten van de deelgeschilprocedure op 22 uur. Het uurtarief wordt door de rechtbank redelijk gevonden. Dit betekent dat de kosten van de deelgeschilprocedure worden begroot op € 6.978,43 (inclusief 7% kantoorkosten en inclusief 21% BTW). Tevens zal een bedrag van € 287,00 aan griffierecht in aanmerking worden genomen.

Nu de aansprakelijkheid vast staat, zal (verweerder) worden veroordeeld tot betaling van deze kosten.

Is hier sprake van suboptimale inzet van (verzoeker) bij het afleggen van de testen? Is hier sprake van malingering? In ieder geval is het nodige onduidelijk en derhalve kan de rechtbank ook geen beslissing nemen over de vraag of de klachten bestaan en of deze in causaal verband staan tot het ongeval. Een deskundige (eventueel een andere, ‘deskundige C’) zal nogmaals de zaak van (verzoeker) moeten bekijken.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: