Aanrijding motor (verzoeker) en fietser (verweerder). Beroep op overmacht van (verzoeker) faalt: causale verdeling 50% – 50%

Rechtbank Noord-Holland, 21 juli 2016
(Verzoeker) haalt -binnen de bebouwde kom, bij een kruising, met aan weerskanten een rood gemarkeerd fietspad- op de motor een Jeep rechts in die voorgesorteerd stond om linksaf te slaan. Op het moment dat (verzoeker) de Jeep rechts inhaalt, komt hij in botsing met (verweerder), een fietser die in de tegengestelde richting over het fietspad fietst. Beiden komen ten val.

De rechtsbijstandsverzekeraar van (verzoeker) stelt (verweerder) aansprakelijk. De WA-verzekeraar van (verweerder) wijst de aansprakelijkheid van de hand.

(Verzoeker) verzoekt de rechtbank te verklaren dat (verweerder) gehouden is tot volledige vergoeding van de schade. Immers, aan de zijde van (verzoeker) is er sprake van overmacht.

De rechtbank wijst het beroep van (verzoeker) op overmacht af. De rechtbank oordeelt dat (verweerder) 50% van de schade van (verzoeker) dient te vergoeden.

Verzoek Rechtbank
(Verzoeker) heeft de rechtbank, na wijziging van zijn verzoek, verzocht voor recht te verklaren dat
(1) (verweerder) gehouden is tot volledige vergoeding van de door (verzoeker) geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van het ongeval, althans een door de rechtbank te bepalen percentage daarvan,
Art. 185 WVW vs. art. 6:162 BW

Bij het ongeval waren een gemotoriseerde en een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer betrokken. Voor deze situatie is in beginsel art. 185 WVW geschreven. Omdat de gemotoriseerde verkeersdeelnemer bovenstaand verzoek heeft ingediend, moeten de geschilpunten worden beoordeeld aan de hand van art. 6:162 BW, waarbij geldt dat art. 185 WVW reflexwerking heeft.

Beroep op overmacht

(Verzoeker) heeft primair een beroep gedaan op overmacht als gevolg waarvan (verweerder) zijn volledige schade dient te vergoeden. Een beroep op overmacht kan alleen slagen als de bestuurder van het motorrijtuig rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, omdat het ongeval uitsluitend is te wijten aan fouten van de andere verkeersdeelnemer, welke fouten zo onwaarschijnlijk zijn dat de bestuurder met die mogelijkheid geen rekening behoefde te houden. (Verzoeker) vindt dat hem rechtens geen enkel verwijt valt te maken.

Hoewel een motor minder ruimte inneemt, heeft ook een motor beperkte ruimte om op de plek van het ongeval op de voor hem bestemde weghelft te blijven. Als het kruispunt volledig vrij van overig verkeer zou zijn geweest en er sprake was geweest van een goed overzicht had (verzoeker) de inhaalmanoeuvre wellicht kunnen uitvoeren zonder ander verkeer in gevaar te brengen, maar van een rustige verkeerssituatie en een goed overzicht was, zoals is gebleken, geen sprake. (Verzoeker) heeft de vóór hem stilstaande Jeep aan de rechterkant gepasseerd op een kruising, waar in beginsel onvoldoende ruimte is voor een inhaalmanoeuvre, zonder zich ervan te hebben vergewist dat er recht achter de Jeep geen verkeer aankwam en heeft zodoende (verweerder) niet (kunnen) zien aankomen. Hiermee heeft (verzoeker) een risico genomen en verwijtbaar gehandeld. Dat (verweerder) zich heeft schuldig gemaakt aan een verkeersfout door in de tegengestelde richting over een fietspad te rijden maakt dat niet anders.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van overmacht omdat niet kan worden gezegd dat (verzoeker) rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat de schade in beginsel voor een gedeelte voor rekening blijft van (verzoeker). Voor welk gedeelte hangt af van de causaliteitsafweging en eventuele billijkheidscorrectie.

Causaliteitsafweging

Bij de causaliteitsverdeling wordt de schade verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Het gaat om de vraag in welke mate enerzijds het fietsgedrag van (verweerder) en anderzijds het inhaalgedrag van (verzoeker) op zijn motor aan het ontstaan van het ongeval hebben bijgedragen.

Vaststaat dat (verweerder) door tegen de toegestane richting op het fietspad te fietsen een verkeersfout heeft gemaakt. (Verzoeker) heeft op zijn beurt heeft ook een verkeersfout gemaakt door, zonder zich ervan te hebben vergewist of de situatie een inhaalmanoeuvre toestond, met zijn motor de Jeep rechts in te halen, op een plaats waar in beginsel onvoldoende ruimte voor twee motorvoertuigen is om elkaar te passeren zonder over of heel dichtbij het fietspad te rijden. Naar het oordeel van de rechtbank hebben beide gedragingen in gelijke mate -50%- bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval.

Billijkheidscorrectie

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de billijkheidscorrectie tot een andere verdeling dan de causale verdeling van 50%-50% leidt. Voor toepassing van die correctie moet het gaan om de aanwezigheid van specifieke, individuele omstandigheden die tot gevolg hebben dat de billijkheid een andere verdeling eist dan de uitkomst van de beoordeling op basis van causaliteit.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de vastgestelde causale verdeling met toepassing van de billijkheidscorrectie te corrigeren. Het letsel is niet zodanig dat de billijkheid een andere dan de causale verdeling eist. Dat (verzoeker) niet verzekerd is voor zijn schade vormt evenmin aanleiding voor correctie van de causale verdeling.

(2) met hoofdelijke veroordeling van (verweerder) en zijn WA-verzekeraar in de gemaakte proceskosten begroot op € 6.825,-, te vermeerderen met kantoorkosten van 6% en het door (verzoeker) betaalde griffierecht. (Verzoeker) heeft verzocht (verweerder) en zijn WA-verzekeraar hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit deelgeschil, die kunnen worden begroot op € 6.825,- (27 uur x € 250,– uurtarief), te vermeerderen met 6% kantoorkosten en BTW.De rechtbank is van oordeel dat het door de advocaat van (verzoeker) gehanteerde uurtarief niet bovenmatig is voor een in letselschade gespecialiseerde advocaat. De rechtbank ziet wel aanleiding om, gelet op de omvang en de complexiteit van het geschil, het opgevoerde aantal uren (27) te matigen. Daarbij heeft de rechtbank mede overwogen dat een inzichtelijke specificatie van de aan dit deelgeschil bestede uren ontbreekt en dat het overgelegde urenstaatje ontoereikend is. De rechtbank begroot de kosten op een totaalbedrag van € 6.638,– (20 uur x € 250,– uurtarief, vermeerderd met de kantoorkosten, de BTW en het griffierecht).

Indien de schadevergoedingsplicht op grond van art. 6:101 BW evenredig met de mate van eigen schuld van de benadeelde wordt verminderd, dient ook de verplichting om de in art. 6:96 lid 2 BW bedoelde kosten te vergoeden in beginsel in dezelfde mate verminderd te worden. Derhalve komt de helft van de kosten van het deelgeschil, (€ 3.319,-) voor vergoeding door (verweerder) in aanmerking.

In deze kwestie verschillen de partijen van mening over de toedracht. Normaliter zal dan nadere bewijsvoering noodzakelijk zijn: daar leent de deelgeschilprocedure zich niet voor. De rechtbank neemt in deze kwestie toch een beslissing; dit op verzoek van de partijen. De rechter mag hierbij uitgaan van de in het dossier bevindende stukken.

Bij de billijkheidscorrectie wil ‘het niet verzekerd zijn’ van het slachtoffer nog wel eens een reden zijn om de causale verdeling te corrigeren. In deze zaak gebeurt dat niet: de rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding. Op basis van de gedragingen van beide partijen ziet de rechtbank vermoedelijk af van de correctie: beide partijen hebben in gelijke mate bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: