Overlijden van werknemer n.a.v. beet van een met rabiës geïnfecteerde pup: werkgever aansprakelijk o.g.v. art. 7:611 BW, maar wel eigen schuld

Rechtbank Amsterdam, 4 december 2017
In opdracht van werkgever (verweerder 1) is werknemer (echtgenoot) van (verzoekster) naar Haïti afgereisd, waar hij voor een kleine week werkzaamheden heeft uitgevoerd. Tijdens zijn verblijf werkte en verbleef (echtgenoot) op de compound van (familie), waar tevens het kantoor is gelegen. De (familie) heeft een aantal (waak)honden. Op de laatste dag lag de pup -nog niet ingeënt tegen rabiës (hondsdolheid- aangelijnd achter in de compound. (Echtgenoot) heeft, in afwachting van zijn terugvlucht, een rondje gemaakt over de compound. Hierbij heeft (echtgenoot) de pup geaaid waarna hij door de pup -tot bloedens toe- is gebeten. Leden van (familie) hebben (echtgenoot) aangeraden om een arts te raadplegen. (Echtgenoot) heeft echter geen arts geraadpleegd.

Ruim een maand later ontwikkelde (echtgenoot) verschijnselen van rabiës. Twee maanden na de reis naar Haïti is (echtgenoot) aan de gevolgen van rabiës overleden. (Verweerder 1) heeft een aansprakelijkheidsverzekering lopen bij (verweerder 2). (Verzoekster) stelt (verweerders c.s.) ex art. 7:658 BW aansprakelijk voor de schade door het overlijden van (echtgenoot).

De Rechtbank oordeelt dat (verweerder 1) ex art. 7:611 BW aansprakelijk is voor de uit de beet van de hond voortgekomen schade. Echter, er is ook sprake van eigen schuld ex art. 6:101 BW. De Rechtbank stelt partijen in de gelegenheid zich hierover uit te laten.

Verzoek Rechtbank
(Verzoekster) verzoekt voor recht te verklaren dat verweerders c.s. ex art. 7:658 BW aansprakelijk zijn te houden voor de schade door overlijden van (echtgenoot) en verweerders c.s. te veroordelen tot betaling van de kosten ex art. 1019 aa lid 1 Rv. Op de laatste dag van zijn verblijf op Haiti, heeft (echtgenoot) geen werkzaamheden meer verricht. Tijdens zijn laatste wandeling over de compound is hij gebeten door de pup. Op grond hiervan moet worden geconcludeerd dat het ongeval niet tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden is gebeurd als bedoeld in art. 7:658 BW.Nu (verweerder 1) (echtgenoot) had opgedragen om zijn werkzaamheden op de compound te verrichten en aldaar ook te verblijven, heeft het verblijf op de compound wel een zodanige nauwe samenhang met deze werkzaamheden, dat gedurende zijn gehele verblijf op de compound op (verweerder 1) de uit art. 7:611 BW voortvloeiende verplichting rustte om zich jegens (echtgenoot) als goed werkgeefster te gedragen, waaronder het zorgdragen voor een veilige omgeving.

Deze verplichting is (verweerder 1) niet voldoende nagekomen. Immers, (echtgenoot) liep rond op een compound die niet volledig omheind was. Hierdoor was het mogelijk dat de jonge pup gebeten kon worden door een ander (wild) dier, waardoor de pup besmet kon raken met het rabiësvirus. Na het bijtincident zijn leden van de (familie) naar de dierenarts geweest met de jonge pup. Geadviseerd werd de pup aangelijnd achterin op de compound te plaatsen, zodat de pup niet aanraking kon komen met mensen en andere dieren. (Echtgenoot) werd niet gewaarschuwd voor de gebeten hond. Hoe uitzonderlijk en niet voorzien de bovenstaande situatie ook is geweest, (echtgenoot) is op dat moment op de compound blootgesteld aan een onaanvaardbaar groot besmettingsgevaar. De omstandigheid dat de hond apart is gezet achter op de compound, maakt het voorgaande niet anders.

(Verweerder 1) is onder deze omstandigheden aansprakelijk voor de uit de beet van de hond voortgekomen schade.

Verweerders c.s. voeren verder aan dat sprake is van eigen schuld, omdat (echtgenoot) ervoor heeft gekozen zich niet van te voren tegen rabiës in te enten en zich nadat hij door de pup was gebeten niet direct heeft laten onderzoeken door een arts.

Van eigen schuld is sprake als de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Daarvoor dient allereerst te worden beoordeeld of medische behandeling na de beet kans van slagen had gehad. Uit de LCI-richtlijn Rabiës van het RIVM volgt dat het rabiësvirus na incubatie in alle gevallen tot de dood leidt. De incubatie tijd bedraagt 20 tot 90 dagen. Het rabiësvirus infecteert 48 uur na de beet de perifere zenuw, reden waarom het volgens de richtlijn de voorkeur heeft om binnen deze 48 uur de behandeling te starten. Hieruit wordt geconcludeerd dat als (echtgenoot), bij voorkeur binnen 48 uur na de beet, maar in ieder geval voordat het rabiësvirus klinisch was geworden, zich hiertegen had laten behandelen, een kans had bestaan dat hij het virus had overleefd.

Vervolgens is de vraag aan de orde of het voorgaande (echtgenoot) in redelijkheid is toe te rekenen. Daartoe dient beoordeeld te worden wat een redelijk mens in dezelfde omstandigheden zou hebben gedaan en of dat onder de gegeven omstandigheden ook van (echtgenoot) had mogen worden verwacht. De inschatting is dat een redelijk mens zich, nadat hij door een hond tot bloedens toe in zijn hand was gebeten, zo snel mogelijk tot een dokter had gewend, al was het alleen al vanwege het (ook in Nederland) dreigende tetanusgevaar. Dit geldt des te meer in de gegeven omstandigheden, te weten het verblijf in Haïti, een Caribisch eiland, waarvan bekend is dat een ziekte als rabiës veel meer voorkomt dan in westerse landen. (Echtgenoot) moet geweten hebben dat Haïti een risicovol land is wat betreft het rabiësvirus. Nu (echtgenoot) niet zo snel mogelijk naar een arts is gegaan en niet kan worden uitgesloten dat hij, als hij zich eerder had laten behandelen door een arts, niet was overleden ten gevolge van de hondenbeet, is sprake van eigen schuld in de zin van art. 6:101 BW.

Partijen hebben zich echter over de mate daarvan en over de billijkheid om een andere verdeling toe te passen niet (voldoende) uitgelaten. Niet duidelijk is geworden wat precies is gebeurd in de eerste 48 uur na de hondenbeet. Partijen zullen daarom alsnog in de gelegenheid worden gesteld om zich hierover uit te laten. Indien partijen echter, gelet op de reeds genomen beslissingen, hieraan geen behoefte meer hebben, kunnen zij dit gezamenlijk mede delen. In dat geval zal slechts nog worden beslist over de gevorderde proceskosten. Om reden van het voorgaande stelt de rechtbank (verzoekster) in de gelegenheid om uit te laten over het hiervoor genoemde, waarna (verweerders c.s.) in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren.

 

Een hele trieste zaak met uitzonderlijke omstandigheden. Het is toch ook niet zo goed te begrijpen dat betrokkene -nota bene werkzaam voor HEALTHY ENTREPRENEURS- in deze situatie zich niet preventief heeft laten enten.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: