linksaf slaande auto en een inhalende motor: 40% aansprakelijkheid, 60% eigen schuld.

Rechtbank Amsterdam, 23 november 2017
Op een doorgaande weg slaat (verzekerde) met zijn voertuig linksaf om te kunnen parkeren. (Verzoeker), rijdend op een motorfiets, haalt op dat moment de auto’s, rijdend achter (verzekerde), in. Gevolg is een botsing tussen de links afslaande (verzekerde) en de inhalende (verzoeker).

Naar aanleiding van de rapportage van een verkeersongevallendeskundige, heeft (Nederlandse verzekeraar) een aanbod gedaan om de kwestie minnelijk te regelen: 50% aansprakelijkheid. (Verzoeker) accepteert het aanbod niet -waardoor het aanbod is komen te vervallen- en start een deelgeschilprocedure: (verzekerde) is volledig aansprakelijk, aldus (verzoeker).

De rechtbank is van mening dat (verzekerde) voor 40% aansprakelijk is.

Verzoek Rechtbank
Verzoeker verzoekt (bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad):
(1) een verklaring voor recht dat (verzekerde) volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat verzoeker is overkomen en dat (verweerster) aldus gehouden is de volledige schade van (verzoeker) die het gevolg is van het ongeval te voldoen;
(Verzekerde) heeft een verkeersfout gemaakt. Op grond van art. 18 RVV diende (verzekerde) verkeer dat zich dicht achter hem bevond, zoals verzoeker, voorrang te verlenen. (Verweerster) stelt dat (verzoeker) maximaal 30 meter achter (verzekerde) reed, toen (verzekerde) afsloeg. Anders dan verweerster betoogt, betekent dat dat (verzoeker) zich dicht achter (verzekerde) bevond. (Verzekerde) had dus (verzoeker) voor moeten laten gaan en dat heeft hij niet gedaan. Aan de zijde van (verzekerde) was het ongeval vermijdbaar.Aan de zijde van (verzoeker) is er echter sprake van eigen schuld. Zijn snelheid heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en de schade en die omstandigheid kan aan verzoeker worden toegerekend. Op grond van art. 19 RVV dient hij in staat te zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. Hij had gezien dat de auto’s voor hem vaart minderden en heeft, kennelijk zonder te kunnen zien welke reden dat had, een inhaalmanoeuvre ingezet, met een snelheid van –volgens zijn eigen verklaring– 50 km/u, terwijl de auto’s die hij inhaalde aanzienlijk langzamer reden. Toen (verzekerde) links afsloeg, kon verzoeker de botsing niet meer voorkomen. Dat wil zeggen dat, naar het oordeel van de rechtbank, de snelheid van verzoeker gelet op de verkeerssituatie te hoog is geweest.

(Verweerster) doet een beroep op volledige eigen schuld van (verzoeker), indien (verweerster) aansprakelijk zou worden geacht. (Verweerster) stelt dat (verzoeker) zich nog op de rechterrijbaan (achter (verzekerde)) bevond toen (verzekerde) zijn afslag inzette. (Verzoeker) stelt dat (verzekerde) volledig aansprakelijk is omdat (verzekerde) geen richting aangaf en niet goed gekeken heeft.

De rechtbank komt tot het volgende oordeel. De stelling van (verweerster) faalt: uit de rapportage van de verkeersongevallendeskundige volgt niet dat (verzekerde) (verzoeker) onmogelijk kon zien. De stelling van (verzoeker) faalt eveneens: niet is komen vast te staan dat (verzekerde) geen richting aan heeft gegeven. (Verzekerde) heeft een verkeersfout gemaakt, maar (verzoeker) heeft in belangrijke mate eigen schuld gehad aan het ongeval. Hij heeft de auto’s voor hem die snelheid minderden links ingehaald, zonder dat hij wist waarom de auto’s langzamer waren gaan rijden. Het ongeluk is vervolgens ontstaan doordat (verzoeker) niet tijdig heeft gezien dat (verzekerde) wilde afslaan en doordat (verzekerde) (verzoeker) niet tijdig heeft gezien. Daarbij speelt een grote rol dat de snelheid van (verzoeker) (onder die omstandigheden) te hoog was, waardoor voor beide partijen de tijd die zij hadden om het ongeluk te voorkomen (te) kort is geworden. (Verzoeker) heeft aldus voor 60% eigen schuld aan het ongeval en dat (verweerster) daarom gehouden is 40% deel van de schade van (verzoeker) te vergoeden. De verzochte verklaring voor recht zal dan ook slechts gedeeltelijk worden toegewezen.

(2) de kosten van de procedure in de zin van art. 1019 aa Rv te begroten op € 3.155,20 te vermeerderen met het griffierecht en te bepalen dat verweerster deze kosten betaalt. Bij de begroting van de kosten dient de rechter de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets te hanteren. De advocaat van verzoeker heeft zijn kosten begroot op € 3.155,20 inclusief BTW, exclusief het betaalde griffierecht van € 287,00. Tegen het aantal uren is bezwaar gemaakt, maar de rechtbank verwerpt dat verweer. De hoogte van het uurtarief en het aantal gewerkte uren kunnen naar het oordeel van de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets doorstaan. De rechtbank begroot de kosten van het deelgeschil dan ook op € 3.442,20.

Indien de schadevergoedingsplicht op grond van art. 6:101 BW evenredig met de mate van eigen schuld van de benadeelde wordt verminderd, ook de verplichting om de in art. 6:96 lid 2 BW bedoelde kosten te vergoeden in beginsel in dezelfde mate verminderd dient te worden. Dit geldt ook voor de kosten van de behandeling van het deelgeschil. Gelet op het hiervoor vastgestelde percentage eigen schuld van 60%, komt 40% van de kosten van het deelgeschil, derhalve € 1.376,88, voor vergoeding door (verweerster) in aanmerking.

Aan het voeren van een deelgeschilprocedure zijn natuurlijk (financiële) risico’s verbonden: het zogenoemde ‘procesrisico’. (Verzoeker) had de kwestie minnelijk kunnen regelen waarbij 50% van zijn schade in aanmerking zou komen voor vergoeding. (Verzoeker) heeft dit aanbod afgewezen en een deelgeschilprocedure gestart. Hierbij heeft (verzoeker) een zeker procesrisico genomen: de mogelijkheid dat de rechtbank een percentage eigen schuld aan de zijde van (verzoeker) in aanmerking neemt, dat hoger is dan hetgeen de (Nederlandse verzekeraar) heeft voorgesteld. In deze kwestie heeft deze mogelijkheid zich -ten nadele van (verzoeker)- voorgedaan.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: