Fietser rijdt in sloot. Geen bewijs aansprakelijkheid voetganger of “geparkeerd staande”auto’s

RECHTBANK M1DDEN nederland Beschikking van 13 december 2017
Fietser rijdt in sloot met letsel tot gevolg. Fietser spreekt voetganger en WAM-verzekeraars van twee auto’s aan. De WAM-verzekeraars vanwege gevaarzettend stilstaan, de voetganger vanwege plotseling oversteken. Vordering afgewezen, noch voetganger, noch bestuurders van auto’s handelden gevaarzettend.
Verzoek Rechtbank
(1) voor recht te verklaren dat Hengeveld aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade en dat Hengeveld, dan wel ASR uit hoofde van artikel 7:954 BW, dan wel Delta Lloyd en/of Achmea uit hoofde van artikel 6 WAM deze schade aan hem cliënt te vergoeden, De rechtbank houdt het ervoor dat [voetganger] en [VRIENDIN] hun auto’s dusdanig hadden geparkeerd dat er voldoende ruimte was voor overige weggebruikers, in ieder geval voor een fietser. Dit betekent dat redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat het ongeval is ontstaan door de wijze van parkeren van de auto’s.

Aangezien [VERZOEKER] zich erop beroept dat [voetganger] onzorgvuldig heeft gehandeld omdat hij beter had moeten uitkijken alvorens de oversteekmanoeuvre te maken, ligt het op zijn weg om dit aan te tonen. De vraag is of hij dit in het licht van de verklaring van [voetganger], waaruit veeleer valt af te leiden dat partijen elkaar simpelweg niet hebben gezien, in voldoende mate heeft gedaan. Daarbij moet betrokken worden dat op grond van artikel 164 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geldt dat een partijverklaring omtrent door de partij te bewijzen feiten alleen bewijs in het voordeel van de betreffende partij kan opleveren indien de verklaring tel aanvulling van onvolledig bewijs strekt. Beoordeeld moet worden of de door [VERZOEKER] afgelegde verklaring tegen de achtergrond hiervan voldoende gewicht in de schaal legt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Al met al is enkel op basis daarvan de door hem geschetste toedracht niet aannemelijk geworden zodat er niet van uitgegaan kan worden dat [voetganger] als voetganger een verwijt kan worden gemaakt

 

(2) te bepalen dat de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf twee weken na factuurdatum, voor vergoeding door Hengeveld, clan wel ASR, clan wel Delta Lloyd en/of Achmea in aanmerking komen op grond van artikel 6:96 BW en dat in dit verband het honorarium van mr. A.M. Douala begroot client te worden op een bedrag van E 1.200,00 (8 uur x 150,00). Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten slechts begroten en niet tevens een veroordeling tot betaling daarvan uitspreken. [VERZOEKER] heeft aanspraak gemaakt op een bedrag van € 1.200,00 (8 uur x uurtarief van 6 150,00). Er is geen verweer gevoerd tegen cle hoogte van het bedrag. Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming inet de omvang en complexiteit van de zaak, zodat de rechtbank de kosten zal begroten op het verzochte bedrag.

 

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: