Begroting van de immateriële schadevergoeding door de rechtbank na een medische fout bij een galblaasoperatie: totaal € 30.000,–.

Rechtbank Midden-Nederland, 28 november 2017
In het ziekenhuis, van stichting (verweerder), wordt bij (verzoeker) een galblaasontsteking geconstateerd. Bij de operatie -waarbij een horizontale snede over de buik wordt geplaatst- wordt de galblaas operatief verwijderd.

Een dag later wordt (verzoeker), na aanhoudende pijnklachten, opnieuw geopereerd: hierbij wordt een verticale snede over de buik geplaatst. Tijdens deze (2e) operatie komt naar voren dat niet alleen de galblaas werd verwijderd, maar ook het verbindingskanaal tussen de lever en de dunne darm. Hierdoor komt in de lever aangemaakte gal in de darmen terecht. In totaal volgen er nog 3 operaties, waaronder de hersteloperatie en een operatie naar aanleiding van een breuk van het verticale litteken.

(Verzoeker) stelt (verweerder) aansprakelijk voor de ontstane schade. Ten tijde van de deelgeschilprocedure zijn de onderhandelingen in een vergevorderd stadium. De partijen zijn het min of meer over alles eens, behalve de hoogte van het smartengeld. (Verzoeker) verzoekt de rechtbank het smartengeld vast te stellen.

De rechtbank stelt de totale schadevergoeding voor de immateriële schade die (verzoeker) lijdt naar billijkheid vast op een bedrag van € 30.000,–.

Verzoek Rechtbank
(Verzoeker) verzoekt de rechtbank om:
(1) een billijk smartengeld vast te stellen van tenminste € 50.000,–, te vermeerderen met wettelijke rente;
Bij de begroting van het smartengeld -conform art. 6:106 lid 1 onder b BW- moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van het geval. In het bijzonder is bepalend de aard, ernst en duur van het letsel, de pijn, de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde en de gevolgen daarvan voor de betrokkenen. De rechter moet de zwaarte van het verdriet, de ernst van de pijn en het gemis aan levensvreugde afleiden uit min of meer objectieve factoren en concrete aanwijzingen zoals de aard van het letsel en de (meer subjectief te duiden) gevolgen daarvan voor de concrete benadeelde. Daarnaast moet ook gekeken worden naar de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt.Doel van het smartengeld is het compenseren van smart. Het is de enige manier om het slachtoffer in staat te stellen zelf vreugde te vinden voor wat hij zoal met die schadevergoeding kan doen. Het dient ter vervanging van wat het slachtoffer heeft verloren, compensatie te bewerkstelligen voor het leed dat men (dagelijks) ondervindt.

In casu betreft dit bij (verzoeker) het leed als gevolg van een operatie, die als deze correct was uitgevoerd tot volledig en restloos herstel had geleid. Niet ter discussie staat (meer) dat de schade van (verzoeker) is veroorzaakt door onzorgvuldig handelen c.q. een toerekenbare tekortkoming van de artsen bij de operatie.

Bij de begroting dient er gelet te worden op de bedragen die door Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, rekening houdend met een eventueel opgetreden geldontwaarding. Bij de vaststelling van het smartengeld van (verzoeker) zal aansluiting worden gezocht bij de categorie ‘Smartengeld na medische fout’ zoals die in de Smartengeldgids 2017 (22e druk) wordt gehanteerd. Het geval zoals beschreven in de Smartengeldgids 2017, nr. 1.760, sluit het nauwst aan bij het letsel van (verzoeker) (ECLI:NL:RBOBR:2014:4093). Ook in dit geval was sprake van een fout bij een galblaasoperatie door het doorsnijden en afbinden van de gemeenschappelijke galgang.

Voor het bepalen van de hoogte van het smartengeld in casu komt de rechtbank tot het volgende. Door het intensieve medische traject (5 operaties) heeft (verzoeker) zijn droom van een carrière in de wetenschap niet waar kunnen maken, althans zijn de kansen daarop door zijn frequente afwezigheid in ieder geval aanzienlijk verminderd. Daarnaast heeft (verzoeker) niet zozeer aanvalsgewijze klachten, maar leeft hij voortdurend, ook ’s nachts, met pijn (ook vanwege de bindweefselverklevingen), in die zin dat hij zijn hele doen en laten en houding daarop moet aanpassen, constant (pijnstillende) medicijnen moet slikken, nog steeds (keurings)artsen ziet, een percentage van 15% blijvende Invaliditeit is vastgesteld, nog los van de omstandigheid dat hij zijn buik omschrijft als een soort heuvellandschap. Ook hebben de klachten van (verzoeker) uiteindelijk geleid tot aanpassing van zijn werk -hij is niet meer werkzaam als praktiserend dierenarts- en zijn werktijden. Ook de toekomst van (verzoeker) is wat dit betreft onzeker, mede omdat ook bij hem het risico van stenose (‘vernauwing van de verbindingsplaats’) bestaat.

Gedurende de onderhandelingen heeft (verweerder) aangegeven een bedrag van € 20.000,– te willen betalen voor de immateriële schade. De rechtbank hanteert dit bedrag als ondergrens. De ernst van het letsel en de gevolgen van de medische fout voor (de kwaliteit van leven van) (verzoeker) rechtvaardigen echter een hoger bedrag.

De rechtbank stelt de totale schadevergoeding voor de immateriële schade die (verzoeker) lijdt naar billijkheid vast op een bedrag van € 30.000,–. Hierbij is geen rekening gehouden met de wettelijke rente daarover en met het reeds eerder betaalde voorschot van € 25.000,–.

(2) (Verweerder) te veroordelen tot betaling van de kosten. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. (Verzoeker) maakt aanspraak op een bedrag van € 3.824,22 incl. kantoorkosten en BTW.Er is noch sprake van een volstrekt onnodig of onterecht ingediend verzoek, noch is er sprake van misbruik van het processuele middel van een verzoekschrift.

De rechtbank ziet geen aanleiding deze kosten (ambtshalve) te matigen. De rechtbank zal de redelijke kosten dan ook begroten op € 3.824,22, te vermeerderen met het door (verzoeker) betaalde griffierecht van € 470,–. (Verweerder) zal tot betaling daarvan worden veroordeeld.

(Verzoeker) heeft om twee redenen een verzoekschrift ingediend: In de eerste plaats kan (verzoeker) zich niet verenigen met het door (verweerder) aangeboden bedrag: zie hierboven het oordeel van de rechtbank.

In de tweede plaats wil (verzoeker) een bijdrage leveren aan de ‘achterblijvende’ rechtsontwikkeling met betrekking tot het smartengeld. In Nederland lopen we -aldus verzoeker- namelijk achter op andere landen in Europa.

De Rechtbank zegt hierover het volgende: er mag gekeken worden naar bedragen die buitenlandse rechters toekennen, maar de ontwikkelingen in andere landen kunnen niet beslissend zijn voor de in Nederland toe te kennen bedragen. De rechtbank dient te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegekend. Ook de Hoge Raad heeft de wens geuit om gelijkmatige en voor gelijke gevallen gelijke ontwikkeling van het smartengeld te bewerkstelligen.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: