Toedracht van ongeval kapitein op schip is onduidelijk: uitvoerige bewijsvoering niet geschikt voor deelgeschilprocedure.

Rechtbank Rotterdam, 13 november 2017
Op (datum ongeval) is (verzoeker) aan boord van het schip ten val gekomen. Hierbij heeft (verzoeker) ernstig traumatisch hersenletsel. (Verzoeker) stelt (verweerder 1) en (verweerder 2) aansprakelijk o.g.v. respectievelijk art. 7:658 lid 2 en lid 4 BW.

De kantonrechter wijst het verzochte jegens (verweerders c.s.) af. Voor beoordeling aansprakelijkheid is uitvoerige bewijslevering nodig en daar is een deelgeschil niet voor geschikt. Daarnaast zijn de buitengerechtelijke onderhandelingen überhaupt nog niet begonnen.

Verzoek Rechtbank
(Verzoeker) heeft op de voet van art. 1019w Rv (de Het gaat in dit geval om een zaak met diverse feitelijke en juridische aspecten die vastgesteld respectievelijk beoordeeld moeten worden alvorens tot de door (verzoeker) verzochte aansprakelijkheid van (verweerders c.s.) geconcludeerd kan worden.

Niet alleen moet worden beoordeeld of de ruimte waar (verzoeker) liggend werd aangetroffen toen voldeed aan de daaraan te stellen veiligheidseisen, waarbij ook een rol kan spelen wat de mate van voorzienbaarheid van (uitglijd)gevaar is geweest alsook de mate van bezwaarlijkheid van de tegen dat gevaar te nemen maatregelen, ook als die verder gaan dan de ter zake geldende (minimum)eisen. Ook kan zonder nader onderzoek c.q. bewijslevering niet als vaststaand worden aangenomen dat (verzoeker) ten val is gekomen doordat hij (wegens gladheid) in de bewuste ruimte is uitgegleden.

Verder speelt bij de aansprakelijkheidsvraag mee of (verzoeker) de kennelijke onveiligheid van de ruimte waar hij ten val gekomen is, voorafgaand aan het incident heeft gemeld en (verweerder 2) daarop geen (directe) actie heeft ondernomen, alsook de vraag welke juridische betekenis toekomt aan de omstandigheid dat (verzoeker), destijds kapitein op het schip en daarmee verantwoordelijk voor de veiligheid aan boord, die gestelde onveiligheid kort voor het incident heeft geconstateerd en besproken heeft met een collega maar zich op gelijke wijze als hij daarvoor gewoon was in die gesteld onveilige ruimte heeft begeven en daar, volgens de door hem gegeven lezing als gevolg van gladheid, ten val is gekomen.

Gegeven het doel de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechter te beoordelen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moet aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. Deelgeschillen waarvan derhalve te verwachten is dat de beantwoording daarvan kostbaar is en veel tijd in beslag zullen nemen, bijvoorbeeld omdat uitvoerige bewijsvoering en deskundigenberichten nodig zijn, zullen zich minder snel lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

In dit geval is, gezien het voorgaande, op meerdere punten bewijslevering geïndiceerd om de aansprakelijkheidsvraag te kunnen beoordelen. Dienaangaande wordt geoordeeld dat voor de beantwoording van de door (verzoeker) hier voorgelegde aansprakelijkheidsvraag het voeren van een bodemprocedure (veel meer) aangewezen is.

Bij dit alles komt dat er in dit geval geen onderhandelingsproces op gang is gekomen en dat vervolgens zou zijn gestagneerd. (Verzoeker) heeft de onderhavige procedure als deelgeschil is gestart alvorens (verweerders c.s.) een inhoudelijk standpunt hadden ingenomen en kenbaar gemaakt ten aanzien van hun aansprakelijkheid. Een dergelijke handelwijze, zonder dat er sprake is van enig begin van onderhandelingen, duidt er naar het oordeel van de kantonrechter op dat in dit geval de deelgeschilprocedure is ingezet om (verweerders c.s.) aan de onderhandelingstafel te dwingen en daarvoor is deze procedure niet in het leven geroepen.

De kantonrechter komt tot de slotsom dat (verzoeker) de deelgeschilprocedure prematuur heeft ingezet.

(2) met de veroordeling van (verweerders c.s.), eveneens hoofdelijk, tot betaling van de kosten van dit deelgeschil. Op grond van het bovenstaande bestaat er geen aanleiding de kosten van het verzoek op de voet van art. 1019aa Rv te begroten, nu onder deze omstandigheden niet gesproken kan worden van in redelijkheid gemaakte kosten.Voor de voorgestane proceskostenveroordeling van (verzoeker) biedt de wettelijke regeling van de deelgeschilprocedure geen ruimte.

Voor de beoordeling van de aansprakelijkheid in deze kwestie is de deelgeschilprocedure gewoonweg te complex. Er is uitvoerige bewijsvoering nodig (getuigen horen, wellicht locatieopname) en de aard van een deelgeschil verzet zich hiertegen. Opvallend is dan het feit dat (verzoeker) in een deelgeschil om vaststelling van de aansprakelijkheid aan de zijde van (verweerders c.s.). Immers, veel is nog onduidelijk en ook de onderhandelingen zijn -in feite- nog niet opgestart.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: