Achteropaanrijding: geen causaal verband tussen gestelde klachten en ongeval met geringe snelheid

Rechtbank Rotterdam, 13 november 2017
Begin november is (verzoeker) betrokken bij een ongeval, waarbij (verzoeker) als inzittende van een auto, van achteren werd aangereden door een bij (verweerder) verzekerde auto. (Verweerder) heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

Begin februari meldt (verzoeker) zich bij zijn huisarts met pijnklachten aan het hoofd, de nek en de schouder, concentratieproblemen en psychische klachten. (Verzoeker) verzoekt de rechtbank het (juridische) causaal verband vast te stellen.

De rechtbank wijst het verzoek af. Uit onderzoek is gebleken dat er sprake was van een zeer geringe snelheid. Het ligt derhalve niet voor de hand dat de impact van de aanrijding de oorzaak is van de klachten, zeker ook omdat (verzoeker) zich 3 maanden na het ongeval bij de huisarts heeft gemeld.

Verzoek Rechtbank
(Verzoeker) verzoekt de rechtbank:
(1) om voor recht te verklaren althans te bepalen dat aannemelijk is dat de klachten beschreven in de brief van medisch adviseur van de belangenbehartiger van (verzoeker) in juridisch causaal verband staan met het ongeval,
In de eerste plaats dient, gezien de betwisting van (verweerder) op dit punt, te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure: kan ex art. 1019z Rv de verzochte beslissing voldoende bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst?Het verzoek strekt er toe een oordeel te geven over het causaal verband tussen de gestelde klachten en het ongeval. Aannemelijk is dat wanneer een beslissing over het causaal verband tussen de gestelde klachten en het ongeval is gegeven, voor partijen inzichtelijk zal worden of het opstarten dan wel voortzetten van buitengerechtelijke onderhandelingen in de rede ligt. Daarmee is het belang van (verzoeker) gegeven; de verzochte beslissing kan voldoende bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

Uit het dossier komt naar voren dat bij de botsing het snelheidsverschil tussen de bij het ongeval betrokken voertuigen zeer laag is geweest. Het rapport van onderzoeksbureau MVOA brengt voldoende duidelijk naar voren dat de impact van de botsing zeer beperkt is geweest: naar aanleiding van een uitgevoerde ongevallenanalyse wordt geconcludeerd dat sprake is geweest van een laag snelheidsverschil. Dat de impact van de botsing de oorzaak is van de door (verzoeker) ervaren klachten ligt niet zonder meer voor de hand, te meer nu (verzoeker) zich eerst in februari, ruim drie maanden na het ongeval, zich bij zijn huisarts heeft gemeld voor zijn klachten.

Gelet op de aard van de klachten (waaronder psychische en depressieve klachten) gevoegd bij het feit dat de periode rondom het ongeval een voor (verzoeker) turbulente periode is geweest, waarin hij –naar eigen zeggen– zijn ‘droombaan’ verloor en daardoor financiële problemen kreeg, acht de rechtbank het zeer wel mogelijk dat (verzoeker) de door hem genoemde klachten ook had ondervonden indien het ongeval niét had plaatsgevonden. Ook de eigen medisch adviseur van (verzoeker) heeft niet tot een causaal verband tussen het ongeval en de door (verzoeker) ervaren klachten geconcludeerd.

De rechtbank zal de verzochte verklaring voor recht dan ook afwijzen.

(2) om de kosten van deze procedure te begroten op € 5.031,18 (incl. BTW en kantoorkosten) en (verweerder) te veroordelen tot betaling van dat bedrag. De rechtbank dient op grond van art. 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. De rechtbank dient hiervoor de dubbele redelijkheidstoets te hanteren. Bij een volstrekt onnodig of onterecht ingestelde deelgeschilprocedure komen de kosten niet voor vergoeding in aanmerking.Van het volstrekt onnodig of onterecht instellen van een deelgeschilprocedure is het onderhavige geval geen sprake. (Verzoeker) heeft met het inschakelen van een advocaat en het voeren van onderhavige procedure kosten gemaakt die hebben bijgedragen aan het vaststellen van zijn rechtspositie. In die zin heeft hij in redelijkheid kosten van rechtsbijstand gemaakt en acht de rechtbank het redelijk dat die kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

(Verzoeker) heeft het aantal te bestede uren aan deze zaak in totaal begroot op 16,5 uur. Gezien de beperkte complexiteit van deze zaak komt dit aantal uren de rechtbank bovenmatig voor en wordt voor de begroting van de kosten een urentotaal van 8 op zijn plaats geacht, een en ander tegen het niet onredelijk geachte uurtarief van € 240,-.

Aldus worden de kosten van de deelgeschilprocedure aan de zijde van (verzoeker) begroot op € 2.726,36 (8 uur x € 240,- + 5% kantoorkosten + 21% BTW + € 287,- griffierecht).

De rechtbank oordeelt hier in lijn met de uitspraak van de Rechtbank Overijssel (Almelo) van 17 februari 2017 (ECLI:NL:RBOVE:2017:957). Opvallend is de argumentatie van de rechtbank met betrekking tot het onnodig of onterecht instellen van een deelgeschilprocedure. Bij causaliteitskwesties is een dergelijk verzoek zelden onnodig of onterecht ingesteld en dat gold ook voor deze kwestie (ondanks de rapportage van onderzoeksbureau MVOA en het medisch advies van de adviseur van de belangenbehartiger van (verzoeker)).

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: