Aanrijding fietser en vrachtwagen. (Verweerder) volledig aansprakelijk: niet is komen vast te staan dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van (verzoeker).

Rechtbank Gelderland, 31 oktober 2017
 Op (straatnaam 2) komt (verzoeker) met zijn fiets in aanraking met een vrachtwagen.  (Verweerder) heeft de aansprakelijkheid voor 50% erkend. Immers, volgens (verweerder) is er sprake van eigen schuld aan de zijde van (verzoeker). (Verzoeker) is het oneens met de (verdeling van de) aansprakelijkheid en (verzoeker) start een deelgeschilprocedure.

De rechtbank wijst het verzoek toe: (verweerder) heeft, in het licht van het gemotiveerde verweer van (verzoeker), onvoldoende onderbouwd dat sprake was van voor risico van (verzoeker) komende omstandigheden die hebben bijgedragen aan de schade.

Verzoek Rechtbank
(Verzoeker) heeft verzocht dat de rechtbank bij beschikking:
(1) voor recht zal verklaren (primair) dat de schadevergoedingsverplichting van (verweerder) ter zake het ongeval van (datum ongeval) niet dient te worden verminderd als gevolg van eigen schuld aan de zijde van (verzoeker) dan wel (subsidiair) een eigen schuld percentage vast te stellen dat minder is dan 50%;
Tussen partijen staat vast dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in art. 185 WVW, hetgeen met zich brengt dat (verweerder) gehouden is 100% van de schade van (verzoeker) te vergoeden, tenzij er sprake is van overmacht. Tussen partijen staat eveneens vast dat van overmacht geen sprake is. … (Verweerder) heeft 50% aansprakelijkheid erkend en heeft betoogd dat er sprake is van 50% eigen schuld aan de zijde van (verzoeker). De stelplicht en bewijslast rusten op dit punt bij (verweerder).

(Verweerder) heeft ter onderbouwing van haar stelling het volgende aangevoerd. (Verzoeker) heeft op het trottoir gefietst, hetgeen op grond van het RVV niet is toegestaan. (Verzoeker) is vanaf het trottoir de fietssuggestiestrook van de (straatnaam 2) op gefietst zonder de vrije doorgang te verlenen aan (naam bestuurder) door bij het oprijden van de (straatnaam 2) tegen de vrachtwagen aan te rijden.

(Verzoeker) heeft de door (verweerder) gestelde weergave van de toedracht weersproken. (Verzoeker) heeft aangevoerd dat hij, komende vanuit (straatnaam 1) in de richting van de (straatnaam 2), zijn weg een stuk over het trottoir vervolgd heeft, omdat er dwars op (straatnaam 1) en in het verlengde van de (straatnaam 2) een hek is geplaatst. (Verzoeker) is daarom voor het hek rechtsaf geslagen om ongeveer 10 meter verderop, ter hoogte van de eerste uitrit van het huis aan de (straatnaam 2) nummer (huisnummer), de (straatnaam 2) op te rijden. Daar bevindt zich een verlaging in de stoep, waardoor hij makkelijk met zijn fiets de stoep af kan rijden.

Volgens de rechtbank staat het enkele feit dat (verzoeker) over het trottoir heeft gefietst, niet in causaal verband tot de schade van (verzoeker). Dat betekent dat deze omstandigheid ter zake het oordeel over de eigen schuld buiten beschouwing kan blijven.

Wel van belang is de stelling van (verweerder) dat (verzoeker) van het trottoir de weg is opgereden. Deze verkeershandeling is immers aan te merken als een bijzondere manoeuvre in de zin van artikel 54 RVV, waarbij (verzoeker) het overige verkeer voor dient te laten gaan. De rechtbank is echter van oordeel dat, anders dan (verweerder) stelt, niet is komen vast te staan dat (verzoeker) direct bij het oprijden van de (straatnaam 2) in aanraking is gekomen met de vrachtwagen.

(Verzoeker) heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij bij de eerste uitrit van het huis aan de (straatnaam 2), vanaf de stoep via de parkeerhaven de (straatnaam 2) is opgereden. Deze lezing vindt steun in de door de politie vervaardigde situatieschets die zich bij het proces-verbaal bevindt. Daarop is aangegeven dat (verzoeker) de stoep ter hoogte van de eerste uitrit heeft verlaten. Ter hoogte van de eerste uitrit voor het huis aan de (straatnaam 2) is de stoep verlaagd, waardoor het makkelijk is om op die plek van de stoep te rijden, aldus (verzoeker). De door beide partijen overgelegde foto’s van de situatie ter plaatse bevestigen deze beschrijving van (verzoeker).

Dat (bestuurder) rechts naast zich op het trottoir een fietser zag rijden, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij er op dat moment al naast reed. Bovendien volgt uit de verklaring van (bestuurder) niet dat (verzoeker) nog op de stoep fietste toen hij naast de fietser reed. (Verzoeker) heeft voorts aangevoerd dat ook de plek waar bloed op de weg is aangetroffen, aanduidt waar hij door (naam bestuurder) is aangereden. Het bloed is bij de tweede uitrit aangetroffen. Dat is bovendien de plek waar hij op het wegdek heeft gelegen na de aanrijding.

In het licht van het gemotiveerde verweer van (verzoeker), heeft (verweerder) onvoldoende onderbouwd dat sprake was van voor risico van (verzoeker) komende omstandigheden die hebben bijgedragen aan de schade. Dat betekent dat heeft te gelden dat niet is komen vast te staan dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van (verzoeker) en dat de primair verzochte verklaring voor recht zal worden toegewezen.

(2) de kosten van deze deelgeschilprocedure als bedoeld in art. 1019aa lid 1 Rv zal begroten op een bedrag van € 5.877,20 en (verweerder) zal veroordelen tot betaling daarvan en zulks zal vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na afgifte van de beschikking (Verweerder) heeft verweer gevoerd tegen de opgevoerde kosten, met name ten aanzien van het aantal opgevoerde uren voor het opstellen van het verzoekschrift. Uit de urenspecificatie blijkt onder meer dat in totaal 14 uur is besteed aan het aan het opstellen van het verzoekschrift.

Gelet op de omvang en de moeilijkheidsgraad van het deelgeschil, komt de rechtbank het aantal opgevoerde uren voor het opstellen van het verzoekschrift bovenmatig voor. In redelijkheid begroot de rechtbank de kosten van de deelgeschilprocedure op 20 uur. Omdat het uurtarief van € 200,00 redelijk voorkomt, zal daarvan worden uitgegaan.

Dit betekent dat de kosten van de deelgeschilprocedure worden begroot op € 5.369,00 (inclusief 5% kantoorkosten inclusief 21% btw, inclusief € 287,00 griffierecht).

Nu de aansprakelijkheid vast staat, zal (verweerder) worden veroordeeld tot betaling van deze kosten. De verzochte wettelijke rente zal worden toegewezen.

In deze kwestie gaat het eigenlijk om de vraag of (verzoeker) nou wel of niet direct bij het oprijden van de (straatnaam 2), vanaf het trottoir, in aanraking is gekomen met de vrachtwagen.  Het lukt (verweerder) niet dat te bewijzen en dan volgt volledige aansprakelijkheid.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: