Geen causaal verband tussen gebrek aan de weg en fietsongeval: gemeente niet aansprakelijk op grond van art. 6:174 BW

Rechtbank Gelderland, 16 januari 2017
Fietsongeval op een openbare weg met aan weerszijden, om de 3 meter, wit geverfde opstaande randen: zogenaamde varkensruggen. Op (datum ongeval) is (persoon A) na een zijdelingse verplaatsing ten val gekomen. (Persoon A) heeft hierbij (verzoekster) in zijn val geraakt waarna (verzoekster) ten val komt. (Verzoekster) stelt (verweerder 1), gemeente en wegbeheerder, op grond van art. 6:174 BW aansprakelijk. (Verweerder 2) is de aansprakelijkheidsverzekeraar van (verweerder 1). (Verweerder 2) wijst de aansprakelijkheid af.

Het verzoek van (verzoekster) wordt afgewezen: onvoldoende aanknopingspunten om het causale verband aan te nemen tussen enerzijds het gebrek aan de weg en anderzijds het ongeval. Geen veroordeling tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en de (begrote) proceskosten.

Verzoek Rechtbank
Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank  voor recht zal verklaren dat
(1) (verweerders c.s.), in haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van de gemeente en op grond van art. 7:954 BW en uit dien hoofde verplicht is de betalingen aan (verzoekster) te verrichten, op grond van art. 6:107 BW aansprakelijk zijn terzake de schade die (verzoekster) heeft opgelopen en de schade die zij als gevolg daarvan nog steeds lijdt,
Volgens (verzoekster) is de gemeente op de voet van art. 6:174 BW voor de schade aansprakelijk. De betreffende weg is in die zin gebrekkig dat voor fietsers de varkensruggen gevaarlijk zijn, de varkensruggen slecht zichtbaar zijn en voor dit gevaar onvoldoende wordt gewaarschuwd.De aanwezigheid van varkensruggen op het wegdek en het daaraan inherente gevaar voor fietsers betekent op zichzelf nog niet dat de weg niet voldoet aan de eisen die men aan de weg mag stellen in de zin van art. 6:174 BW. Vast staat dat varkensruggen vaker worden toegepast in het verkeer. (Verweerders c.s.) hebben genoegzaam uiteengezet waarom varkensruggen hier aangewezen zijn. Op de plek van het ongeval is de weg breed genoeg om al het verkeer veilig tegelijkertijd te laten passeren. De varkensruggen moeten het autoverkeer, dat met behulp van verkeerslichten zo wordt geregeld dat het maar vanuit één richting tegelijk kan komen, naar het midden van de weg dwingen en zodoende het fietsverkeer beschermen dat wel steeds in twee richtingen is toegestaan.

Denkbaar is dat de weg niettemin gebrekkig moet worden geoordeeld omdat de varkensruggen onvoldoende zichtbaar waren en voor het gevaar van varkensruggen voor fietsers onvoldoende werd gewaarschuwd, zoals (verzoekster) stelt. Voor aansprakelijkheid van de gemeente is dan vereist dat vastgesteld kan worden dat het ongeval het gevolg is van de slechte zichtbaarheid van de varkensruggen en het onvoldoende waarschuwen voor het gevaar van de varkensruggen voor fietsers.

De stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden rusten in dat verband op (verzoekster). (Verzoekster) stelt dat (persoon A) de varkensruggen over het hoofd heeft gezien. Zoals (verweerders c.s.) hebben opgeworpen kan echter uit de verklaringen van (persoon A) niet zonder meer worden afgeleid dat hij de drempels bij het naderen van het viaduct niet heeft waargenomen.

Tegen deze achtergrond bieden de overige bewijsmiddelen die thans voorhanden zijn onvoldoende aanknopingspunten om het door (verzoekster) gestelde en door de gemeente en Achmea betwiste causale verband aan te nemen tussen enerzijds het gebrek aan de weg en anderzijds het ongeval. Op dit moment kan niet worden vastgesteld dat het ongeval niet zou zijn gebeurd als de varkensruggen beter zichtbaar waren geweest en voor het gevaar ervan voor fietsers beter zou zijn gewaarschuwd. Bij deze stand van zaken kan niet tot een beslissing op het verzoek worden gekomen zonder bewijsopdracht en het horen van getuigen.

(2) met begroting van de kosten aan de zijde van (verzoekster) bij de behandeling van het verzoek en veroordeling van (verweerders c.s.) tot betaling van deze kosten, Nu aansprakelijkheid van (verweerder 1) niet is vastgesteld, is een veroordeling tot betaling van de begrote proceskosten aan de zijde van (verzoekster) niet aan de orde.(Verzoekster) heeft niet opgegeven welke kosten bij de behandeling van het verzoek aan haar zijde zijn opgekomen. Anderzijds is evident dat haar advocaat in dit verband significante werkzaamheden heeft verricht.

De rechtbank zal de kosten van deze werkzaamheden conservatief begroten op een bedrag van € 2.103,00 incl. BTW (10 uur a € 150,00 inclusief 21% BTW vermeerderd met € 288,00 aan griffierecht).

(3) en van een bedrag van € 3,512,63 aan buitengerechtelijke kosten aan (verzoekster). Nu aansprakelijkheid van (verweerder 1) niet is vastgesteld, is een veroordeling tot betaling van buitengerechtelijke kosten niet aan de orde.

Niet helemaal te begrijpen dat de rechtbank zegt dat niets is opgegeven welke kosten er zijn gemaakt in verband met de procedure, althans die staan wel in het verzoek (€ 3,512,63). Aannemend dat hier inderdaad de kosten van de deelgeschilprocedure zijn bedoeld.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: