Gemeente aansprakelijk o.g.v. art. 6:174 BW: brede inkeping op de traptreden bij slecht weer niet goed zichtbaar.

Rechtbank Limburg, 19 april 2017
Op een regenachtige dag met invallende schemer komt (verzoekster) bij het verlaten van een broodjeszaak ten val als gevolg van de overgang naar het trottoir. De broodjeszaak is hoger gelegen dan het trottoir en daarom enkel via de verhoging te bereiken. De broodjeszaak kan worden binnengetreden door het opstappen van de verhoging via traptreden. Op de traptreden zit vlak voor de afstap c.q. opstap een 3cm brede inkeping die bij droog weer donkerder van kleur is dan de traptreden en het lager gelegen trottoir. (Verzoekster) stelt (verweerder), in haar hoedanigheid als wegbeheerder, primair op grond van art. 6:174 BW en subsidiair op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk voor het door haar overkomen ongeval. Verzekeraar van (verweerder) heeft de aansprakelijkheid afgewezen. De onderhandelingen tussen partijen is in een impasse geraakt.
Verzoek Rechtbank
(Verzoekster) verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat (verweerder) aansprakelijk is voor de door (verzoekster) geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval dat haar is overkomen;
De kantonrechter stelt voor wat betreft de primaire grondslag voorop dat op de wegbeheerder de plicht rust ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt. De aansprakelijkheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn ontwikkeld in HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236 (Wilnis). Bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, komt het derhalve aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’ (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik).Het winkelend publiek dient zich dan ook de toegang tot de broodjeszaak te verschaffen hetzij door het opstappen van de verhoging, dan wel via het schuin oplopend gedeelte van de verhoging aan de linkerzijde. Er is geen waarneembaar onderscheid op basis van kleur te zien tussen enerzijds de naast elkaar geschakelde traptreden en anderzijds het lager gelegen trottoir, hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter een potentieel gevaarlijke situatie oplevert.

Uit die foto’s blijkt dat de vorenbedoelde inkeping bij slecht weer niet goed te zien is, omdat het kleurverschil tussen de verhoging, de traptreden en het lager gelegen trottoir aanzienlijk vermindert indien de traptreden nat worden. Uitgaande van de situatie dat een bezoeker de broodjeszaak verlaat door recht door te lopen, is het zeer goed voorstelbaar dat die bezoeker het hoogteverschil met de traptrede en het trottoir niet (goed) ziet omdat een waarschuwingselement dat van de inkeping zou moeten uitgaan, ontbreekt.

Anders dan (verweerder) betoogt, mag niet te snel worden aangenomen dat een bezoeker van de broodjeszaak met de feitelijke situatie bekend is, enkel en alleen omdat die bezoeker de broodjeszaak heeft betreden. De kantonrechter is van oordeel dat (verweerder) met haar betoog miskent dat het primair op haar weg ligt om ervoor te zorgen dat de weginrichting ook bij veranderde weersomstandigheden veilig is. Dit oordeel wordt bevestigd door de omstandigheid dat (verweerder) na het litigieuze ongeval een beter zichtbare witte markering op de traptreden heeft aangebracht, waar ook bij slechtere weersomstandigheden een duidelijk waarschuwend signaal van uit gaat. Niet valt in te zien waarom deze (weinig bezwarende) veiligheidsmaatregel niet eerder aangebracht had kunnen worden. Dat dit het straatbeeld van de gemeente niet ten goede zou komen, weegt, nog daargelaten de validiteit van de stelling, niet op tegen het veiligheidsaspect voor het winkelend publiek.

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de aanvankelijk getroffen veiligheidsmaatregel – te weten een donker gemarkeerde inkeping van 3cm – in het onderhavige geval onvoldoende was om het gevaar zettende karakter van de situatie weg te nemen. Dit heeft gevaar voor personen opgeleverd, welk gevaar zich ook heeft verwezenlijkt. Nu het bovendien eenvoudig en ook niet bezwaarlijk is voor (verweerder) om een extra veiligheidsmaatregel te treffen – hetgeen zij ook reeds heeft gedaan – maakt dat de kantonrechter van oordeel is dat (verweerder) op de voet van art. 6:174 BW aansprakelijk is voor de schade die (verzoekster) bij het ongeval heeft opgelopen. Een bespreking van de subsidiaire grondslag (art. 6:162 BW) behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking meer.

II. de gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure conform art. 1019aa Rv. Naar het oordeel van de kantonrechter is het redelijk dat (verzoekster) wat betreft deze procedure juridische bijstand heeft ingeroepen en is voldoende onderbouwd hoe de declaratie van de juridische kosten is opgebouwd. Door (verweerder) is hier geen verweer tegen gevoerd. De kosten en de aan de zaak bestede tijd komen ook de kantonrechter niet bovenmatig voor.Conform de door (verzoekster) in het verzoekschrift en ter zitting overgelegde urenspecificatie wordt uitgegaan van 4,5 uur voor het opstellen van het verzoekschrift en correspondentie ad € 250,00 per uur. Dit dient vermeerderd te worden met 21 % BTW ad € 250,42 alsmede 6 % kantoorkosten ad € 67,50. Aan voorbespreking, bestudering van het verweerschrift, de zitting en correspondentie heeft de gemachtigde van (verzoekster) 6,5 uur besteed. Het hiervoor in rekening gebrachte uurtarief bedraagt € 265,00 en dient eveneens vermeerderd te worden met 21 % BTW ad € 361,72. De kantonrechter begroot de kosten aan de zijde van (verzoekster) derhalve op in totaal € 3.606,14 inclusief BTW en kantoorkosten.

(Verweerder) dient ten slotte –aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij- te worden gewezen in de proceskosten.

Bij een ‘gebrekkige opstal’ is beslissend of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. In casu oordeelt de rechtbank in feite dat er niet voldaan is aan die eisen: het verlaten van de broodjeszaak -het opstapje naar het trottoir- levert een gevaarlijke situatie op, zeker in slecht weer. Een situatie die (verweerder) als wegbeheerder gemakkelijk had kunnen aanpassen.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: