Afstand van recht mbt bewijsaanbod?

Rechtbank Gelderland, 15 maart 2016
Aanrijding met twee auto’s. Beide bestuurders verklaren dat het verkeerlicht groen was toen zij de kruising overgingen. Verzoeker heeft na de aanrijding last van lichamelijke klachten.
Verzoek Rechtbank
Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank

(1) op de voet van artikel 1019w Rv voor recht zal verklaren dat Delta Lloyd aansprakelijk is voor het (verzoeker) overkomen verkeersongeval op 3 maart 2009 en derhalve gehouden is de door (verzoeker) geleden en/of nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel, die nog nadere bepaald dient te worden, te voldoen

 

 

 In zijn verzoekschrift gaat (verzoeker) ervan uit dat tussen partijen vast staat dat geen van beide partijen kan bewijzen dat de wederpartij door rood is gereden, en gegeven dit uitgangspunt, over aansprakelijkheid en vergoedingsplicht beslist dient te worden aan de hand van het beoordelingskader dat de Hoge Raad in zijn arrest van 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6996, NJ 2011/307 voor een dergelijk geval heeft gegeven.In haar verweerschrift heeft Delta Lloyd zich echter primair gemotiveerd op het standpunt gesteld dat zij kan bewijzen dat (verzoeker) door rood is gereden. Niet in geschil is dat indien Delta Lloyd in dit bewijs zou slagen, beoordeling op basis van het hiervoor aangehaalde arrest niet aan de orde is. Niet valt uit te sluiten dat Delta Lloyd dan niettemin schadeplichtig is, zoals zij ter zitting heeft beaamd, maar in dat geval moet in het kader van haar beroep op eigen schuld als vaststaand worden aangenomen dat (verzoeker) door rood is gereden, terwijl bij toepassing van het hiervoor bedoelde beoordelingskader er dan juist van uitgegaan zou moeten worden dat (verzoeker) door groen is gereden. Het betreft hier een voor de beoordeling in verband met 6:101 BW zeer wezenlijk verschil. In beginsel dient Delta Lloyd dan ook tot bewijslevering te worden toegelaten. De tijd en moeite die daarmee gemoeid zal zijn staat naar het oordeel van de rechtbank echter niet in verhouding tot de kans dat partijen op basis van de dan te geven beschikking een vaststellingsovereenkomst zullen sluiten. Het verzoek dient daarom in beginsel te worden afgewezen op de voet van artikel 1019z Rv.

De rechtbank begrijpt dat (verzoeker) zich er aldus op beroept dat Delta Lloyd haar recht heeft verwerkt zich erop te beroepen dat zij kan aantonen dat (verzoeker) door rood is gereden, omdat Delta Lloyd bij (verzoeker) het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij van dit recht geen gebruik zou maken.

Uit de feiten en omstandigheden waarop (verzoeker) zich in dit verband beroept volgt niet dat Delta Lloyd met zoveel woorden afstand heeft gedaan van haar recht op bewijslevering in rechte. Daaruit volgt veeleer dat Delta Lloyd – in het kader van een regeling buiten rechte – (verzoeker) deelgenoot heeft gemaakt van haar inschatting van de bewijspositie van partijen en dat Delta Lloyd niet heeft uitgesloten dat een deelgeschilprocedure nuttig zou kunnen zijn. (Verzoeker) kan daardoor een onjuiste voorstelling van zaken hebben gehad. De gestelde verklaringen en de gedraging van Delta Lloyd zijn echter naar het oordeel van de rechtbank niet van dien aard dat (verzoeker) gerechtvaardigd erop heeft kunnen vertrouwen dat Delta Lloyd op voorhand van bewijslevering in rechte af zag, een bepaald vergaande toezegging. Het beroep op artikel 6:2 lid 2 BW gaat dan ook niet op.

 (2) met begroting van zijn proceskosten, althans een beslissing te geven die de rechtbank in goede justitie zal vaststellen.  Een uurtarief van € 250,00 exclusief 6% kantoorkosten en 21% komt de rechtbank in deze zaak niet buitensporig hoog voor, in aanmerking genomen dat het aantal bestede uren beperkt is en onbestreden. Tot en met de indiening van het verzoekschrift heeft [verzoeker] bijna zeven uur aan werkzaamheden van zijn advocaat opgegeven. De nadien bestede uren heeft (verzoeker) niet concreet gemaakt. De rechtbank zal deze werkzaamheden conservatief begroten op drie uur. Twee uur voor de zitting, inclusief reistijd, en één uur voor het bestuderen van het verweerschrift. De kosten kunnen dan in totaal worden begroot op € 3.491,50 (€ 250,00 plus 6% kantoorkosten plus 21% btw, maal 10 uur, plus € 285,00 aan griffierecht). Nu aansprakelijkheid niet vast staat is een veroordeling in de aldus begrote kosten niet mogelijk.

Verzoeker gaat er vanuit dat verweerster tijdens een deelgeschil niet zou kunnen bewijzen dat verzoeker door rood is gereden. Verweerster geeft aan dat zij daartoe wel in staat is. De rechter heeft aangegeven dat verweerster verzoeker enkel deelgenoot heeft gemaakt van haar inschatting van de bewijspositie van partijen en daarmee geen afstand gedaan van haar mogelijkheid om te bewijzen dat verzoeker door rood is gereden.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: