(Verzoekster) –<14 jaar- valt van paard (verweerder). 100% Vergoedingsplicht (verweerder c.s.) na beoordeling eigen schuld en billijkheidscorrectie

Rechtbank Gelderland, 29 november 2016
(Verweerder) hield, hobbymatig, twee paarden. Op (datum ongeval) zijn (verzoekster) en haar vriendinnen, (getuige 1) en (getuige 2), -alle drie jonger dan 14 jaar- naar de stal van de paarden gekomen. (Verweerder) heeft (getuige 1) en (getuige 2) -telefonisch- toestemming gegeven om zijn paarden te verzorgen en berijden. Op (datum ongeval) is ook (verzoekster) op een van de paarden gaan rijden. Geschrokken van het verkeer heeft het paard (verzoekster) van haar afgeworpen waardoor (verzoekster) op de openbare weg is gevallen. (Verzoekster) loopt hierbij ernstig hersenletsel op. (Verweerder 2) is de aansprakelijkheidsverzekeraar van (verweerder 1). (Verzoekster) houdt (verweerder 1) aansprakelijk voor haar letselschade. (Verweerder 2) heeft de aansprakelijkheid o.g.v. art. 6:179 BW erkend en tevens aangeboden -vanwege de eigen schuld van (verzoekster)- 70% van de schade te zullen vergoeden.
Verzoek Rechtbank
Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank op de voet van art. 1019w e.v. Rv:
– voor recht zal verklaren dat (verweerder 1) volledig aansprakelijk is en gehouden is 100% van de schade van (verzoekster) die voortvloeit uit het ongeval op (datum ongeval) te vergoeden,
Vast staat dat het letsel van (verzoekster) is aangericht door een paard waarvan (verweerder 1) toen bezitter was, en voorts dat (verweerder 1) derhalve op de voet van art. 6:179 BW voor deze schade aansprakelijk is en in beginsel gehouden is deze schade volledig te vergoeden. Het geschil is beperkt tot de vraag of deze vergoedingsplicht vanwege eigen schuld van (verzoekster) op de voet van art. 6:101 BW (met 30%) dient te worden verminderd. Hiervoor is vereist dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan (verzoekster) kan worden toegerekend. Het is aan (verweerders c.s.) om de volgens hen in dat verband relevante feiten en omstandigheden in deze procedure te stellen en zo nodig te bewijzen en niet slechts om de voor volledige vergoeding aangedragen stellingen van (verzoekster) te weerspreken (zie onder meer HR 8 juli 2011, LJN BP6996, NJ 2011/280).Het is relevant of (verweerder 1) niet slechts als bezitter aansprakelijk is, maar hem tevens van het ontstaan van het ongeval een verwijt kan worden gemaakt. In HR 8 december 1989, NJ 1990/778 m.nt. C.J.H. Brunner (Vrieling/Ruröde) is aanvaard dat wanneer een door onzorgvuldigheid in het leven geroepen ernstig gevaar zich verwezenlijkt ten aanzien van een kind waarvan in verband met zijn leeftijd slechts een beperkt inzicht in het betreffende gevaar en een beperkt vermogen zich naar dit inzicht te gedragen mag worden verwacht, de billijkheid in beginsel eist dat de door het kind geleden schade ten laste komt van degene die, onzorgvuldig handelend, dit gevaar in het leven heeft geroepen. Weliswaar is de aansprakelijkheid van (verweerder 1), zoals hij en (verweerder 2) terecht opmerken, niet gebaseerd op onzorgvuldigheid in de zin van onrechtmatig handelen en is de hiervoor bedoelde rechtsregel daarom in deze zaak niet rechtstreeks van toepassing, maar dit laat onverlet dat een onzorgvuldigheid van (verweerder 1) als omstandigheid van het geval in de zin van art. 6:101 BW een rol kan spelen bij het eventueel corrigeren van de verdeling van de schade.

Gesteld noch gebleken is dat (verzoekster) wist dat alleen (getuige 1) en (getuige 2) op de paarden mochten rijden en dat niet buiten het erf en de weilanden gereden mocht worden. Aangenomen moet dan worden dat (verzoekster) op (datum ongeval) samen met twee van haar haar vriendinnen is gaan paardrijden, terwijl zij niet op de ongeoorloofdheid daarvan is gewezen. Van opzettelijk heimelijk rijden oftewel ‘Joy-riding’ is hier dan ook geen sprake. In verband met hun leeftijd mag van de kinderen slechts een beperkt inzicht in dit gevaar en een beperkt vermogen zich naar dat inzicht te gedragen worden verwacht. (Verweerder 1) kon er dus niet zonder meer vanuit gaan dat de strikte voorwaarden die hij aan (getuige 1) en (getuige 2) had opgelegd zonder toezicht door hen zouden worden nageleefd c.q. door hen zouden worden gehandhaafd tegenover andere kinderen, zoals (verzoekster). Al met al heeft (verweerder 1), door deze bijzonder gevaarzettende situatie in het leven te roepen, een ernstige fout gemaakt, hoe goed zijn bedoelingen daarbij ook waren.

Aangenomen dat het rijden zonder expliciete toestemming, wetende van het gevaar van paardrijden, als een verwijt aan (verzoekster) kan worden toegerekend, dan is de in dit handelen gelegen fout van (verzoekster) niet ernstig te noemen. Nu (verweerder 1) naar het oordeel van de rechtbank een aanzienlijk ernstiger fout heeft gemaakt dan (verzoekster) eist de billijkheid verdere correctie tot 90% van de schade. (Verweerder 1) hoeft de schade niet zelf te dragen. Hij is daarvoor verzekerd bij (verweerder 2). Daarom noopt de billijkheid ertoe ook de vergoeding van de overblijvende 10% van de schade voor zijn rekening te laten. Zoals verzocht kan dan voor recht worden verklaard dat (verweerder 1) volledig aansprakelijk is en tot vergoeding van 100% van de schade gehouden.

– (verweerder 1) zal veroordelen tot betaling van de proceskosten van (verzoekster), ten tijde van indiening van het verzoekschrift begroot op een bedrag van € 4.691,00, en Verzocht is de kosten van advocaatwerkzaamheden te begroten, en wel 19,3 uur tegen een uurtarief van € 230,00 (€ 4.439,00) en 8,8 uur tegen een uurtarief van € 305,00 (€ 2.684,00), dus in totaal een bedrag van € 7.123,00 exclusief BTW. Het gemiddeld uurtarief komt de rechtbank in deze zaak redelijk voor. Van dit uurtarief wordt daarom uitgegaan. Tegen het aantal bestede uren hebben (verweerders c.s.) zich niet verzet. Dan dient op de voet van art. 1019aa Rv een bedrag van € 10.402,66 (€ 7.123,00 vermeerderd met 21% BTW en het griffierecht ad € 288,00) aan kosten te worden begroot.
– voor recht zal verklaren dat (verweerder 2) tot rechtstreekse vergoeding van de schade en de kosten aangesproken kan worden op grond van art. 7:954 BW. (Verweerder 2) heeft niet afzonderlijk betwist dat zij op de voet van art. 7:954 BW rechtstreeks tot vergoeding van de schade van (verzoekster). De daartoe strekkende verklaring voor recht is toewijsbaar.

De eigen schuld bij een ongeval met paardrijden staat in dit arrest centraal. Wat opvalt is billijkheidscorrectie, de toedeling van de laatste 10% van de schade. (Verweerder 1) heeft een aansprakelijkheidsverzekering bij (verweerder 2) en dus is (verweerder 1) voor de volledige 100% aansprakelijk.

De rechtbank had (eenvoudig) kunnen volstaan met het volgen van de lijn die volgt uit de uitspraak van het Hof te Leeuwarden van 12 november 2003: bij een val van een paard is geen eigen schuld van toepassing bij kinderen jonger dan 14 jaar, tenzij er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Daar is in deze casus zeker geen sprake van; opnieuw 100% aansprakelijkheid voor (verweerder 1). Billijkheidscorrectie kan dan achterwege blijven.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: