Bij arrestatie breekt (verzoeker) zijn arm. Onvoldoende bewijs voor onrechtmatig en disproportioneel handelen: aansprakelijkheid afgewezen

Rechtbank Midden-Nederland, 23 november 2016
In de vroege morgen van (datum) heeft (verzoeker) op het Zandpad in Utrecht onenigheid gekregen met een prostituee, waarna de Politie is gebeld. Eén van de agenten die naar het Zandpad waren gegaan, heeft (verzoeker) vastgepakt en zijn arm op zijn rug gedraaid. (Verzoeker) is meegenomen naar het politiebureau, waar hij is bezocht door een arts. Rond 09.00 uur is hij naar de locatie Oudenrijn van het Sint Antonius Ziekenhuis in Utrecht gebracht, waar op de röntgenfoto’s een breuk in de rechter bovenarm te zien was. (Verzoeker) stelt de Politie (aldus verweerder 1) op grond van art. 6:170 BW aansprakelijk voor zijn schade. De verzekeraar van (verweerder 1) -(verweerder 2)- wordt aansprakelijk gesteld op grond van art. 7:954 BW. (Verweerder 2) wijst de aansprakelijkheid af. Vervolgens is er op verzoek van (verzoeker) een voorlopig getuigenverhoor gelast waarbij 7 personen gehoord zijn: (verzoeker), zijn twee vrienden en de vier agenten die in de vroege morgen van (datum) aanwezig waren op het Zandpad in Utrecht.
Verzoek Rechtbank
(Verzoeker) verzoekt de rechtbank om in dit deelgeschil voor recht te verklaren dat;
(a) (verweerder 1) en (verweerder 2) volledig en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het op (datum) aan (verzoeker) toegebrachte letsel,
Het breken van de arm van een ander is in beginsel onrechtmatig. De feiten en omstandigheden van het concrete geval kunnen dit echter anders maken. Hier dient te worden beoordeeld of daarvan sprake was bij de aanhouding van (verzoeker). Daarbij is van belang of (verweerder 1) onrechtmatig en disproportioneel heeft gehandeld, in die zin dat meer geweld is gebruikt dan nodig en bovendien zonder voorafgaande waarschuwing.Ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv is het aan (verzoeker) om voldoende feiten en omstandigheden te stellen –en bij betwisting te bewijzen– ter onderbouwing van zijn standpunt dat onrechtmatig en disproportioneel is gehandeld. De verklaringen die (verzoeker) en zijn twee vrienden tijdens het voorlopig getuigenverhoor hebben afgelegd, komen hierop neer dat (verzoeker) rustig was en zich niet heeft verzet tegen de aanhouding. In een dergelijke situatie zou het toegepaste geweld bij de aanhouding disproportioneel zijn.

Deze verklaringen zijn echter uitgebreid gemotiveerd weersproken in de verklaringen die (met name) (agent 3) en (agent 4) tijdens dit voorlopig getuigenverhoor hebben afgelegd. Deze verklaringen zijn bovendien in lijn met de op (datum), direct na de aanhouding, opgemaakte processen-verbaal van bevindingen, die uitgebreid de feiten en omstandigheden rond de aanhouding beschrijven. De enkele, niet onderbouwde, opmerking van (verzoeker) dat de verklaringen in de processen-verbaal van bevindingen niet juist zijn, zijn onvoldoende om te kunnen oordelen dat de Politie onrechtmatig en disproportioneel zou hebben gehandeld. Uit deze verklaringen komt naar voren dat (verzoeker) recalcitrant was, schreeuwde en geen gevolg gaf aan de opdracht zich te verwijderen. Toen hij daarop werd aangehouden heeft hij zich verzet en bleef hij zich verzetten. Niet blijkt dat de agenten bij het onder controle brengen van de arm onnodig en disproportioneel hebben gehandeld.

(Verzoeker) had zijn standpunt in dit deelgeschil nader moeten onderbouwen, bijvoorbeeld door verklaringen in het geding te brengen van derden, bijvoorbeeld van de arts die hem heeft bezocht in het politiebureau, of van zijn behandelaars in het ziekenhuis, waaruit blijkt of hij op dat moment rustig en nuchter was.

Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de Politie bij de aanhouding van (verzoeker) onrechtmatig en disproportioneel heeft gehandeld, in die zin dat daarbij meer geweld is gebruikt dan nodig was en bovendien zonder voorafgaande waarschuwing. Als gevolg daarvan kan de aansprakelijkheid ook niet worden vastgesteld en moet het verzoek worden afgewezen.

(b) (verweerder 1) en (verweerder 2) hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, die door (verzoeker) worden begroot op € 3.495,69. (Verweerder 1) en (verweerder 2) hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het aantal uren en het gehanteerde tarief. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren in overeenstemming met de omvang en de complexiteit ervan. Ook het gehanteerde tarief acht de rechtbank toelaatbaar. De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide redelijke kosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op het gevorderde bedrag van € 3.495,69. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan zal de rechtbank de kosten slechts begroten en niet tevens een veroordeling tot betaling daarvan uitspreken.

In deze kwestie staat de bewijslevering van de partijen centraal en de beoordeling hiervan door de rechter. Op grond van art. 150 Rv is het aan (verzoeker) om feiten en omstandigheden aan te dragen ter onderbouwing van zijn standpunt: de Politie heeft in mijn geval onrechtmatig en disproportioneel gehandeld. In deze casus zijn -ten eerste- de door (verzoeker) aangedragen feiten en omstandigheden onvoldoende om zijn standpunt te onderbouwen en -ten tweede- de door (verzoeker) aangedragen feiten en omstandigheden zijn door de agenten ter plaatse uitgebreid en gemotiveerd weersproken. Derhalve slaagt (verzoeker) niet in zijn bewijslevering en het verzoek wordt dan ook afgewezen.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: