Onduidelijkheid over de toedracht kan niet aan de werknemer worden toegerekend: werkgever aansprakelijk o.g.v. art. 7:658 BW

Rechtbank Oost-Brabant, 1 juni 2017
(Verzoeker), ingehuurd door (verweerder 1), loopt tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden een gebroken ruggenwervel op, wanneer er tijdens het opruimen van losse stempels een houten balk op zijn onderrug valt. Er waren geen getuigen van het ongeval, waar de balk vandaan kwam staat niet vast en er heeft aanvankelijk geen toedrachtonderzoek plaatsgevonden. (Verzoeker) stelt uiteindelijk (verweerder 1) aansprakelijk voor zijn geleden en nog te lijden schade op grond van art. 7:658 BW. (Verweerder 2) is de aansprakelijkheidsverzekeraar van (verweerder 1). (Verweerder 2) wijst de aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval af.
Verzoek Rechtbank
(Verzoeker) heeft de kantonrechter, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verzocht om:
(1) voor recht te verklaren dat (verweerder 1) aansprakelijk is voor het ontstaan van het bedrijfsongeval  en dat (verweerder 1) en (verweerder 2) gehouden zijn de dientengevolge door (verzoeker) geleden en nog te lijden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het onderhavige verzoekschrift tot aan de dag der algehele voldoening, te vergoeden;
In dit deelgeschil houdt partijen verdeeld de vraag of (verzoeker) schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden als bedoeld in art. 7:658 BW. In dat kader voert (verweerder 2) aan dat (verzoeker) onvoldoende heeft gesteld (en bewezen) dat hem tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden voor (verweerder 1) een ongeval is overkomen en dat hij als gevolg daarvan schade heeft opgelopen. De kantonrechter verwerpt dit verweer.De getuigenverklaringen (opgesteld naar aanleiding van het verzoek van (verzoeker) tot het laten plaatsvinden van een voorlopig getuigenverhoor) en de inhoud van het ongevalsformulier wijzen er op dat er (datum ongeval), toen (verzoeker) werkzaamheden uitoefende voor (verweerder 1), een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden, er op neerkomende dat er een balk op de rug van (verzoeker) is gevallen. (Verweerder 1) heeft nagelaten na de melding van het arbeidsongeval de plaats van het ongeval te onderzoeken en de op het dak aanwezige werknemers te horen. Er is (kort na het ongeval) geen ongevalsrapportage opgemaakt en de Arbeidsinspectie is niet ingeschakeld. Door hoofduitvoerder van (verweerder 1) is volstaan met het invullen van een ongevalsformulier.

Aldus zijn er geen gegevens voorhanden die kunnen ontkrachten dat het arbeidsongeval heeft plaatsgevonden. Dat komt voor rekening en risico van (verweerder 1) en (verweerder 2) aangezien het op de weg van (verweerder 1) had gelegen kort na het ongeval een ongevalsrapportage op te maken en de Arbeidsinspectie in te schakelen. Aan (verzoeker) kan niet worden tegengeworpen dat dit niet is gebeurd. Tevens heeft (verzoeker) met verklaringen en de verwijsbrief van zijn huisarts aangetoond dat hij door het ongeval pijn heeft ondervonden en letsel heeft opgelopen, hetgeen impliceert dat hij schade heeft geleden. Dat de aard en omvang van de schade door (verzoeker) in deze procedure niet is gespecificeerd, is voor de beslissing op het verzoek zoals dat voorligt, niet van belang. Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat (verzoeker) in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, zoals bedoeld in art. 7:658 BW.

Gelet op het bepaalde in art. 7:658 lid 2 BW ligt het op de weg van (verweerder 2) om onderbouwd te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat zij voldaan heeft aan haar zorgplicht als bedoeld in het eerste lid van die bepaling. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft (verweerder 2) onvoldoende gesteld dat (verweerder 1) aan haar zorgplicht heeft voldaan.

Daarbij is van belang dat de veiligheidsmaatregelen die (verweerder 1) heeft genomen voor een belangrijk deel niet specifiek zagen op de werkzaamheden die (verzoeker) op de dag van het ongeval verrichtte en dat, voor zover de veiligheidsmaatregelen betrekking hadden op het weghalen van stempels, tussen partijen niet in geschil is dat het ongeval zich niet heeft voorgedaan tijdens het weghalen van stempels. Daarnaast is bij de beoordeling van de wijze waarop en de mate waarin (verweerder 1) aan haar zorgplicht heeft voldaan, van belang dat niet duidelijk is geworden door welke oorzaak de balk op de rug van (verzoeker) terecht is gekomen. (Verzoeker) heeft daarover niet kunnen verklaren omdat hij niet heeft gezien waar de betreffende balk vandaan kwam. Op het ongevalsformulier is onder ‘Oorzaken die volgens leidinggevende hebben bijgedragen/gelid tot het ongeval’ als oorzaak aangekruist ‘Pech’. Voorts heeft (verweerder 1) nagelaten direct na het ongeval een onderzoek naar de oorzaak daarvan te doen. De omstandigheid dat de exacte oorzaak van het bedrijfsongeval niet vast staat en niet kan worden vastgesteld, brengt mee dat aan de hand van de veiligheidsmaatregelen zoals deze door (verweerder 1) zouden zijn genomen, niet kan worden vastgesteld dat (verweerder 1) aan haar zorgplicht, gericht op het voorkomen van dat ongeval, heeft voldaan. Het beroep van (verweerder 2) op de in art. 7:658 lid 2 BW opgenomen uitsluiting van aansprakelijkheid, kan daarom niet slagen.

(2) een begroting te maken van de met dit deelgeschil gepaard gaande kosten, conform de opgave van (verzoeker), en (verweerder 2) – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te veroordelen in de kosten van dit deelgeschil conform begroting. (Verzoeker) maakt aanspraak op een totaalbedrag van € 3.063,81 (corresponderende met een tijdsbesteding van 12,25 uur tegen een uurtarief van € 195,00 vermeerderd met kantoorkosten van 6% en BTW van 21%). (Verweerder 2) stelt zich op het standpunt dat dit bedrag buitensporig hoog is. (Verweerder 2) meent dat het aantal aan de zaak bestede uren bovenmatig is en naar beneden (naar 10 uur) dient te worden bijgesteld.Naar het oordeel van de kantonrechter is een tijdsbesteding van 10 uur voor dit deelgeschil (inclusief de zitting) redelijk te noemen, waarbij als post “redactie pleitaantekeningen” één uur wordt gerekend in plaats van de geraamde twee uur en de post “correspondentie diversen” als niet gespecificeerd wordt afgewezen. De kantonrechter begroot de kosten dan ook op 10 uur x € 195,00, te vermeerderen met kantoorkosten van 6% en BTW van 21%, in totaal derhalve € 2.501,07. (Verweerder 2) zal tot betaling daarvan aan (verzoeker) worden veroordeeld.

In bovengenoemde casus heeft (verweerder 1), de werkgever van (verzoeker), nagelaten om na het voorval met (verzoeker) een degelijk onderzoek te laten uitvoeren, dan wel de Arbeidsinspectie in te schakelen. (Verweerder 2), de aansprakelijkheidsverzekeraar van (verweerder 1), voert vervolgens aan dat -omdat er geen onderzoek is uitgevoerd naar de toedracht van het ongeval- niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat (verzoeker) een ongeval heeft gehad tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden voor (verweerder 1).

Zo werkt het dus niet bij arbeidsongevallen. Gekeken dient te worden of (verweerder 1) voldaan heeft aan haar zorgplicht. In casu is hierbij van belang dat -onder andere omdat er geen toedrachtonderzoek heeft plaatsgevonden- niet duidelijk is geworden door welke oorzaak de balk op de rug van (verzoeker) terecht is gekomen. Alleen op het ongevalsformulier het vakje behorende bij de oorzaak ‘pech’ invullen is dan toch echt onvoldoende.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: