Kop-staartbotsing. Geen causaliteit tussen rugklachten en ongeval.

plak hier rechtbank datum etc
Op 16 mei 2011 heeft een aanrijding plaatsgevonden waarbij [verzoeker] als bestuurder van een voertuig zich bevindend in een stilstaande file op de autoweg richting Amsterdam van achteren is aangereden, waardoor [verzoeker] tegen zijn voorligger is gebotst. Allianz heeft de rapportage van Ongevallen Analyse Nederland voorgelegd aan haar medisch adviseur die – kort en zakelijk weergegeven – tot de conclusie komt dat een ongeval met een krachtsinwerking van 3,9-7,8 km/u niet kan leiden tot de gestelde rugklachten, dat die klachten kunnen worden gerelateerd aan de pre-existente situatie van [verzoeker] en dat de klachten er zonder het ongeval ook zouden zijn geweest.
Verzoek Rechtbank
[verzoeker] verzoekt bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat de hoofd-, nek- en cognitieve klachten (hierna tezamen aangeduid als de nekklachten) alsmede de rugklachten van [verzoeker] in causaal verband staan tot het ongeval. Niet in geschil is dat direct na het ongeval sprake is van nekklachten (in brede zin) en dat in ieder geval tot en met november 2011 sprake is van een causaal verband tussen deze klachten en het ongeval. Het verzoek kan dus in zoverre worden toegewezen. [verzoeker] heeft gesteld dat hij ook na november 2011 nog ongevalgerelateerde nekklachten heeft. Hoewel er aanwijzingen zijn dat de nekklachten inderdaad na november 2011 nog doorliepen kan de rechtbank daarover niet oordelen aangezien over die periode geen medische informatie in het geding is gebracht die de stellingen van [verzoeker] te dien aanzien onderbouwt.Allianz heeft het causaal verband tussen de door [verzoeker] gestelde rugklachten en het ongeval betwist stellende dat de rugklachten pre-existent zijn. Reeds sinds 2006 heeft [verzoeker] opspelende rugklachten die soms zijn opgewekt door een specifieke gebeurtenis (zoals door een stoel gezakt) en voor het overige verband houden met het overgewicht van [verzoeker], aldus Allianz. Eveneens heeft Allianz bestreden dat de bestaande kwetsbare rug van [verzoeker] door het ongeval beschadigd is geraakt en voorts dat het ongeval tot een verergering van de rugklachten heeft geleid. Allianz heeft daartoe aangevoerd dat na het ongeval geen traumatische hernia is vastgesteld en dat luxatie van de rug naar aanleiding van een dergelijk ongeval volgens het rapport van OAN zeer onwaarschijnlijk moet worden geacht. Daarnaast, zo heeft Allianz betoogd, heeft [verzoeker] ongeveer drie maanden na het ongeval voor het eerst melding gemaakt van rugklachten.

De rechtbank is van oordeel dat, daargelaten of voldoende objectief kan worden vastgesteld dat de door [verzoeker] aangevoerde gezondheidsklachten aan zijn onderrug reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn, [verzoeker] het causaal verband tussen de klachten en het ongeval onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank stelt voorop dat een kop-staartbotsing, waarvan in casu sprake is, in beginsel niet leidt tot letsel aan de onderrug, althans lage rugklachten zijn geen bekend gevolg van een dergelijke botsing. Medisch en juridisch causaal verband tussen een kop-staartbotsing en rugklachten is daarom – anders dan [verzoeker] kennelijk meent – niet zonder meer gegeven. Een belangrijke aanwijzing voor het bestaan van causaal verband tussen kop-staartbotsing en de lage rugklachten kan zijn dat de klachten zich direct of kort na het ongeval hebben geopenbaard.

Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek te bepalen dat de door [verzoeker] ervaren lage rugklachten in causaal verband staan tot het ongeval zal worden afgewezen.

Voorts verzoekt [verzoeker] te bepalen dat Allianz de schadeafwikkeling weer ter hand neemt en hem een voorschot uitkeert van € 57.905,00. Nu Allianz ter zitting bereidheid heeft getoond om voor wat betreft de nekklachten de schadeafwikkeling weer ter hand te nemen, zal de rechtbank het daarop gerichte verzoek afwijzenDe rechtbank is, mede gezien hetgeen zij met betrekking tot de rugklachten heeft overwogen, en het feit dat niet in geschil is dat de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] hoofdzakelijk het gevolg is van de rugklachten, van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende heeft onderbouwd dat de schade die van Allianz kan worden gevorderd hoger is dan het bedrag dat inmiddels door Allianz is uitgekeerd. Daarbij is van belang dat Allianz ter zitting heeft toegezegd een aanvullend voorschot ad € 5.000,00 uit te keren aan [verzoeker]. De rechtbank zal in het licht van het voorgaande een aanvullend voorschot van € 5.000,00 toewijzen.
Tot slot verzoekt [verzoeker] de aan de procedure verbonden advocaatkosten te begroten op € 3.862,00 (inclusief btw en kantoorkosten) en Allianz te veroordelen tot betaling van dat bedrag en de overige kosten van de procedure.  [verzoeker] heeft verzocht om de redelijke kosten van rechtsbijstand te begroten en Allianz te veroordelen dat bedrag aan hem te betalen. In het lichaam van het verzoekschrift is aangevoerd dat er € 3.862,00, inclusief 5% kantoorkosten en 21% omzetbelasting, aan kosten is gemaakt. Daarbij is uitgegaan van 16 uur en een uurtarief van € 190,00. Dit bedrag dient volgens [verzoeker] nog te worden vermeerderd met het betaalde griffierecht.

Allianz heeft ter zitting aangegeven tegen de hoogte van de kosten niet meer afzonderlijk bezwaar te maken. Gezien de aard van de zaak komt de aan de zaak bestede tijd de rechtbank redelijk voor. De rechtbank zal aldus de kosten begroten op € 4.136,00 (voormeld bedrag van € 3.862,00 vermeerderd met het betaalde griffierecht van € 274,00). Aangezien [verzoeker] grotendeels in het ongelijk is gesteld, waarbij mede in overweging is genomen dat het verzochte grotendeels is gebaseerd op het door [verzoeker] gestelde causale verband tussen de rugklachten en het ongeval, komen de kosten van dit deelgeschil uitsluitend voor vergoeding in aanmerking wanneer alsnog in rechte komt vast te staan dat een causaal verband tussen zijn lage rugklachten en het ongeval bestaat of moet worden aangenomen.

In de onderhavige zaak heeft verzoeker op zijn vroegst drie weken na het ongeval voor het eerst melding gemaakt bij zijn huisarts van rugklachten. Daarbij is verzoeker ook voor de aanrijding specifiek met rugklachten bij de huisarts geweest en heeft hij ook fysiotherapie gehad. Begrijpelijk oordeel van de rechtbank dat het causaal verband ontbreekt tussen de na het ongeval genoemde rugklachten en het ongeval.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: