Geen causaal verband tussen gestelde onzorgvuldigheid en rolstoel-gebondenheid verzoekster. Kosten deelgeschil gematigd.

Rechtbank Oost- Brabant, 6 oktober 2016

Deelgeschil letselschade. Verzoekster heeft na haar bevalling last van ernstige lichamelijke klachten als gevolg van bekkeninstabiliteit. Zij stelt dat het ziekenhuis bij de behandeling daarvan op drie punten onzorgvuldig heeft gehandeld en dat zij als gevolg daarvan thans grotendeels rolstoel-gebonden is. Partijen hebben een gezamenlijke expertise laten uitvoeren. Op grond van dat deskundigenrapport kan echter niet een causale verband tussen de door verzoekster gestelde verwijten aan het ziekenhuis en haar rolstoel-gebondenheid worden aangenomen. Ook kan verzoekster zich niet met succes beroepen op de omkeringsregel en de leer van de kansschade. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Het ziekenhuis wordt in de kosten van het deelgeschil veroordeeld, nu zij de aansprakelijkheid heeft erkend voor het verwijt van verzoekster waar in deze procedure de nadruk op ligt.

Verzoek Rechtbank
 [verzoekster] verzoekt een verklaring voor recht dat haar (grotendeels) rolstoelgebondenheid een gevolg is van het tekortschieten dan wel onzorgvuldig handelen van de orthopedisch chirurgen van het JBZ (primair) te bepalen dat de daaruit voortvloeiende schade door het JBZ volledig dient te worden vergoed dan wel (subsidiair) te bepalen dat de gevorderde vergoedingsplicht beperkt wordt tot 90% dan wel tot een door de rechtbank te bepalen percentage. De rechtbank is van oordeel dat het gestelde causale verband  niet kan worden aangenomen op grond van het deskundigenrapport van [naam deskundige] , dat door [verzoekster] in deze procedure als uitgangspunt wordt genomen. Weliswaar concludeert [naam deskundige] dat in haar optiek [verzoekster] bij een eerdere chirurgische ingreep niet rolstoelgebonden zou zijn, maar een gedegen onderbouwing van die conclusie ontbreekt. Dat klemt temeer nu [naam deskundige] zelf in haar rapport ook stelt dat het niet mogelijk is om aan te geven hoe de behandeling, het beloop en het uiteindelijke resultaat zouden zijn geweest indien [verzoekster] eerder operatief behandeld zou zijn geweest. Dit lijkt in tegenspraak met elkaar en behoeft een nadere toelichting van [naam deskundige] .

Alles overziende concludeert de rechtbank dat uit het rapport van [naam deskundige] niet een direct verband kan worden gedestilleerd tussen de door [verzoekster] gestelde verwijten aan het JBZ en haar rolstoelgebondenheid. Het stellen van aanvullende vragen aan [naam deskundige] valt naar het oordeel van de rechtbank buiten het bestek van de deelgeschilprocedure.

Subsidiair beroept [verzoekster] zich op de zogenoemde omkeringsregel. De gedragingen van de orthopeden van het JBZ zijn in strijd met een norm, die strekt ter voorkoming van een specifiek gevaar, dat zich in dit geval ook heeft verwezenlijkt.

Het beroep van [verzoekster] op de zogenoemde omkeringsregel kan haar naar het oordeel van de rechtbank niet baten. ……….. [verzoekster] stelt ter onderbouwing van haar beroep op de omkeringsregel, dat uit de literatuur destijds helder was dat chirurgische stabilisatie van postpartum instabiliteit van de symfys, met name in geval van SI-instabiliteit, gangbaar was. Dit, aldus [verzoekster] , met als doel dat de patiënt op termijn belast kan mobiliseren en te voorkomen dat de patiënt blijvend rolstoelgebonden wordt (vrzk sub 29). [verzoekster] heeft hiermee niet een norm gesteld die in de voorliggende casus tot toepassing van de omkeringsregel kan leiden. Zoals hiervoor reeds overwogen, heeft [naam deskundige] het JBZ immers niet het verwijt gemaakt dat zij op/rond 25 april 2012 heeft nagelaten om chirurgisch in te grijpen. [naam deskundige] concludeert enkel dat op dat moment een verwijzing naar een revalidatiearts en pijnteam dan wel naar een academisch/tertiair centrum had moeten plaatsvinden om een indicatie voor operatief ingrijpen te beoordelen.
Meer subsidiair beroept [verzoekster] zich op de leer van de kansschade.

Het beroep van [verzoekster] op deze rechtspraak kan niet tot toewijzing van haar verzoek leiden. …. Ook hierbij geldt dat [naam deskundige] in haar rapport weliswaar concludeert – kort gezegd – dat [verzoekster] bij eerder chirurgisch ingrijpen niet rolstoelgebonden zou zijn, maar dat het aan het JBZ in deze deelgeschilprocedure gemaakt verwijt niet inhoudt dat er door haar ten onrechte niet chirurgisch is ingegrepen.

Daarnaast verzoekt [verzoekster] om begroting en veroordeling van JBZ tot betaling van de deelgeschilkosten; totaal € 14.147,73 (34 uren, uurtarief van € 295,- , 6% kantoorkosten en 21% BTW, griffierecht van € 285,- en een bedrag van € 825,- (exclusief BTW) in verband met aanvullende kosten voor medische advisering). De rechtbank acht in de voorliggende zaak een aantal van in totaal 25 uren redelijk. Voor het daarnaast matigen van het gehanteerde uurtarief, heeft JBZ onvoldoende aangevoerd. De rechtbank begroot de kosten van dit deelgeschil daarom op een bedrag van €10.742,43,- ((25 x 295 x 1,06 x 1,21) + 285 + (825 x 1,21)).

 

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: