Verzekeraar wenst geen mediation, verzoekster verzoekt tot veroordeling medewerking. Verzoek wordt afgewezen.

Rechtbank Rotterdam 11 april 2016
Deelgeschil. Verzoek om verzekeraar te veroordelen tot medewerking aan mediation wordt afgewezen.
Verzoek Rechtbank
 HDI-Gerling te veroordelen medewerking te verlenen aan het verstrekken van een opdracht tot mediation, medewerking te verlenen aan het mediationtraject en de daarmee gemoeide kosten te dragen; In gedragsregels 9 en 10 van de GBL is opgenomen dat partijen, in het geval dat de onderhandelingen zijn vastgelopen, samen naar een oplossing moeten zoeken en, wanneer dat niet lukt, zij zich – bij voorkeur gezamenlijk – tot een derde dienen te wenden. Deze derde kan een mediator zijn, maar dat hoeft niet.

Handelen in ‘de geest van de GBL’, bekent volgens de toelichting op gedragsregel 10 dat partijen “zich echt inspannen om er samen uit te komen”. Niet gesteld of gebleken is dat HDI-Gerling niet heeft meegewerkt aan de schadeafwikkeling. Ook thans wenst HDI-Gerling deze voort te zetten, zij het niet via mediation. Gelet op het doorgaans vrijwillige karakter van mediation – en het daarmee samenhangende succespercentage – zal een partij slechts onder bijzondere omstandigheden gedwongen kunnen worden om hieraan deel te nemen. Dergelijke omstandigheden doen zich in ieder geval niet voor wanneer de betreffende partij goede gronden heeft om van mediation af te zien. Er zal daarom beoordeeld worden of HDI-Gerling medewerking aan de door [verzoekster] voorgestelde mediation in redelijkheid mocht weigeren.

De onderhandelingen zijn vastgelopen op het punt van het causaal verband tussen het ongeval en de klachten en beperkingen van [verzoekster] . HDI-Gerling wil daarom dat er een neuroloog wordt geraadpleegd om te beoordelen in hoeverre de klachten van [verzoekster] het gevolg zijn van het ongeval.

Een mediator zal de bovengenoemde vragen met betrekking tot het medisch causaal verband hoogstwaarschijnlijk niet kunnen beantwoorden. Daarmee wordt het perspectief van mediation beperkt tot het verkennen van de mogelijkheden tot het treffen van een schikking waarbij een totaalbedrag wordt overeengekomen en het maken van verdere kosten wordt voorkomen. De standpunten van partijen over de inhoud van een dergelijke regeling ver uiteen liggen. Een dergelijke regeling ligt op dit moment derhalve niet voor de hand. Nu er thans nog veel onduidelijkheid bestaat omtrent de vraag in hoeverre de klachten van [verzoekster] het gevolg zijn van het ongeval, terwijl medisch onderzoek – zoals beschreven in hoofdstuk 6 van de GBL – hierover meer helderheid zou kunnen verschaffen, en deze mogelijkheid tot op heden niet is benut, kan van HDI-Gerling (mede gelet op het financiële belang van de zaak) in redelijkheid niet verwacht worden dat zij in mediation een schikking ter beëindiging van het geschil beproeft, zonder eerst in de gelegenheid te worden gesteld het medisch causaal verband nader te (laten) onderzoeken.

[verzoekster] heeft in dit verband gesteld ook in mediation duidelijkheid zou kunnen worden verkregen over de in het medisch traject te volgen stappen. Dit geschilpunt biedt geen rechtvaardiging meer voor mediation, nu deze vraag reeds aan de orde is gekomen in het naar aanleiding van dit deelgeschil ingestelde en tegelijk daarmee behandelde verzoek van HDI-Gerling tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht. Het verzoek van HDI-Gerling om een neurologische expertise te starten wordt daarin toegewezen, waardoor de volgende stap in het medische beoordelingstraject reeds is gezet en het dus niet zinvol meer is hierover onder begeleiding van een mediator te spreken.

Het standpunt van HDI-Gerling om niet met het verzoek tot mediation in te stemmen niet onredelijk is. Zij zal dan ook niet worden veroordeeld om aan mediation deel te nemen (en daarvan de kosten te dragen).

 HDI-Gerling te veroordelen in de kosten van het deelgeschil, te begroten op € 3.527,15 te vermeerderen met het griffierecht.   De buitengerechtelijke kosten acht de Rechtbank niet onredelijk en zullen daarom conform de berekening van mr. Minekus begroot op (€ 3.527,15 + € 285,00 aan griffierecht =) € 3.812,15. Nu HDI-Gerling aansprakelijk is voor de schade, zal zij, nu hierom door [verzoekster] is verzocht, worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

Gelet op het doorgaans vrijwillige karakter van mediation – en het daarmee samenhangende succespercentage – zal een partij slechts onder bijzondere omstandigheden gedwongen kunnen worden om hieraan deel te nemen. Dergelijke omstandigheden doen zich in ieder geval niet voor wanneer de betreffende partij goede gronden heeft om van mediation af te zien.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: