Geen sprake van deelgeschil, met inhoudelijke beslissing wordt het tussen partijen gerezen geschil finaal beslist.

Rechtbank Rotterdam 7 juni 2016

Artikel 1019z Rv: kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of zaak zich leent voor beoordeling als deelgeschil, ook al hebben partijen in onderling overleg besloten de zaak aan de deelgeschilrechter voor te leggen.

Verzoek Rechtbank
ASR te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 10.164,07 ter zake van de buitengerechtelijke kosten als in het verzoekschrift vermeld, welk bedrag dient te worden vermeerderd met de contractuele rente ad 9% per jaar te rekenen vanaf 2 juni 2015 tot de dag der algehele voldoening, [verzoekster] heeft haar verzoek gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (artikelen 1019w-1019cc Rv).

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter partijen voorgehouden dat deze zaak naar zijn voorlopig oordeel niet kwalificeert als deelgeschil en hen daarbij gewezen op de mogelijkheid van omzetting naar een artikel 96 Rv procedure, zij het dat dan ook een modus zou moeten worden gevonden voor de door [verzoekster] sub b en c van het verzoek verzochte kostenveroordeling. Van die mogelijkheid hebben partijen echter geen gebruik gemaakt. Zij hebben, nadat de zitting kort was geschorst, verzocht de zaak te behandelen als ware het een deelgeschil, dit conform de tussen hen gemaakte afspraak. Daarop heeft de kantonrechter partijen kenbaar gemaakt zich te zullen beraden op de vraag of dat verzoek kan worden gehonoreerd en de zaak inhoudelijk met partijen besproken.

Thans moet eerst beoordeeld worden of deze zaak zich leent voor behandeling als deelgeschil. Daarbij wordt vooropgesteld dat de deelgeschilprocedure partijen een eenvoudige, snelle en ten opzichte van een bodemprocedure (doorgaans) aanmerkelijk goedkopere toegang tot de rechter biedt ter oplossing van een (of meerdere) deelgeschil(len) in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase. De procedure heeft tot doel dat partijen met behulp van de interventie van de deelgeschilrechter dichter bij een buitengerechtelijke oplossing komen. Gezien het in artikel 1019z Rv bepaalde wordt het verzoek afgewezen voor zover de verzochte beslissing naar het – ambtshalve te geven – oordeel van de deelgeschilrechter onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

Vaststaat dat het enige geschilpunt dat partijen nog verdeeld houdt, de door [verzoekster] gestelde (omvang van haar) aanspraak op buitengerechtelijke kosten betreft. Voor al het overige hebben partijen immers een vaststellingsovereenkomst gesloten. Anders dan door de gemachtigde van [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling gesteld, is de enkele omstandigheid dat het gaat om een deel van het geschil, niet toereikend om [verzoekster] te kunnen ontvangen in een deelgeschilprocedure. Bepalend is of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

Naar het oordeel van de kantonrechter is hier geen sprake van een deelgeschil omdat de door [verzoekster] verzochte beslissing simpelweg niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Met een inhoudelijke beslissing in de onderhavige procedure wordt het tussen partijen gerezen geschil immers finaal beslist. Teneinde een oordeel te krijgen over het geschilpunt dat partijen verdeeld houdt, was het voeren van een bodemprocedure dan ook geïndiceerd.

Overigens blijkt uit de aangehaalde brieven dat partijen in oktober/november 2015 zelf ook al het risico onderkenden dat hun resterende geschilpunt zich niet leende voor behandeling in een deelgeschilprocedure terwijl de gemachtigde van [verzoekster] ter zitting desgevraagd ook heeft verklaard dat (in ieder geval) het kostenaspect heeft meegewogen bij de keuze voor de onderhavige procedure in plaats van een reguliere bodemprocedure.

Nu de wet niet voorziet in de door partijen voorgestane mogelijkheid het verzoek, in weerwil van artikel 1019z Rv, te behandelen als ware het een deelgeschil, stuit het verzoek reeds af op de in dat artikel neergelegde, ambtshalve uit te voeren, toets. Het verzoek wordt dan ook afgewezen zodat aan een inhoudelijke behandeling niet wordt toegekomen.

 

ASR te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een nader voorschot van de door haar geleden schade ad € 8.588,29, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de beschikking tot de dag der algehele voldoening, en Op de voet van artikel 1019aa Rv dienen de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoekster] te worden begroot, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking moeten worden genomen. Echter, nu uit het hiervoor overwogene geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat (de gemachtigde van) [verzoekster], overigens met consent van ASR, ervoor heeft gekozen het (enige) nog resterende geschilpunt tussen partijen als deelgeschil aan de kantonrechter voor te leggen, terwijl [verzoekster] c.q. haar gemachtigde wist althans had behoren te weten dat van een deelgeschil geen sprake was, hetgeen nu ook wordt geoordeeld, zijn de door [verzoekster] gestelde kosten van de behandeling van het verzoek niet in redelijkheid gemaakt.

Die kosten worden aan haar zijde dan ook begroot op nihil.

 ASR te veroordelen tot betaling van de door [verzoekster] gemaakte buitengerechtelijke kosten zoals bedoeld in artikel 1019aa Rv en zoals in het verzoekschrift begroot op een bedrag van € 3.500,-, subsidiair een in goede justitie te begroten bedrag, één en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de beschikking tot de dag der algehele voldoening.

De kantonrechter was nog (terecht) behulpzaam: wie een bindend advies wil kan bediend worden door art 96 Rv. (Ook) goedkoop en snel…

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: