Aansprakelijkheid van werkgever en geen verjaring

Rechtbank Oost-Brabant 22 april 2016
Werknemer raakt gewond aan vinger door onbeschermde exenterpers. Werkgever aansprakeijk, evenmin verjaring.
Verzoek Rechtbank
de aansprakelijkheid vast te stellen en voor recht te verklaren dat Van Thiel gehouden is om aan [verzoeker] de schade te vergoeden die hij als gevolg van het bedrijfsongeval de dato 14 juni 2007 heeft geleden en mogelijk nog zal lijden;

Betreft pers EX-16 met opgebouwd stempel voor het buigen van klinknagels. Tijdens het uitvoeren van bewerkingen met deze pers waren de bewegende, gevaar opleverende delen, niet voorzien van een scherm of een beveiligingsinrichting waardoor het gevaar van bekneld raken met de bovenste ledematen wordt voorkomen.
Hierbij wordt aangetekend dat:Door de heer [naam] werd verklaard dat:“De pers EX-16 is door het bedrijf buiten werking gesteld en wordt uit het bedrijf verwijderd en niet meer in productie genomen”.

…Onder de hiervoor beschreven omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat Van Thiel onvoldoende maatregelen heeft getroffen om gevaren (door onoplettendheid) te voorkomen en zodoende de op haar rustende zorgplicht ex artikel 7:658 BW heeft geschonden.

de kosten van dit geding te begroten …en Van Thiel te veroordelen tot het betalen van de kosten. De kosten worden begroot op € 1.415,00 waarbij wordt gerekend met een uurtarief van € 195,00 en een aantal bestede uren ad 6 uur.  die zijn redelijk
  verweer: het verzoek van [verzoeker] tot vergoeding van de schade is verjaard, omdat ingevolge artikel 3:317 lid 2 BW juncto artikel 3:316 lid 1 BW de stuiting van [verzoeker] gevolgd had moeten worden door het stellen van een eis (tot dagvaarding) ter zake en alsdan ook onder definitieve vaststelling van de functionele invaliditeit ter bepaling van de definitieve schade. Eerst na ruim acht jaar wordt een verklaring voor recht verzocht dat Van Thiel aansprakelijk is voor het bedrijfsongeval met de kennelijke bedoeling daaropvolgend de schade van [verzoeker] vast te stellen, die naar Van Thiel heeft begrepen in hoofdzaak bestaat uit het derven van inkomsten tijdens pensionering.  Nu twee maanden na het ongeval reeds door de toenmalige gemachtigde van [verzoeker] middels een aangetekende brief een vordering tot schadevergoeding bij Van Thiel is kenbaar gemaakt en de vordering eveneens tijdig, binnen vijf jaar is gestuit, dient geconcludeerd te worden dat de vordering van [verzoeker] tot schadevergoeding uit hoofde van artikel 7:658 BW niet is verjaard.

Tja, wat nu de reden van dit deelgeschil is geweest wordt niet helemaal duidelijk. De schade lijkt (inderdaad) beperkt en de aansprakelijkheid laat zich onder de gegeven omstandigheden (we kennen nooit het hele dossier…) niet eenvoudig betwisten. De indruk bestaat dat geen aansprakelijkheidsverzekeraar bij de kwestie betrokken is geweest.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: