Verzoekster wil achteraf een eerdere kapitalisatiedatum “omdat dat meer oplevert”. Dat verzoek wordt afgewezen.

Rechtbank Groningen, 20 februari 2015
[verzoekster] heeft doen betogen dat de dag van het overlijden van [partner] in het licht van de heersende jurisprudentie en de omstandigheden van het geval als uitgangspunt dient te gelden voor de berekening van de schade, omdat de nabestaanden anders tekort wordt gedaan.

Dat doet ze nadat eerder kennelijk een andere methodiek is afgesproken. De rechbank gaat niet mee in dat opportunisme. De schade wordt op deze wijze adequaat vergoed, zeker ook gezien de verleende voorschotten.

Verzoek Rechtbank
 voor rekening van Aegon een nieuwe berekening ter zake overlijdensschade ex artikel 6: 108 BW te laten maken met als kapitalisatiedatum de datum van het ongeval (23 januari 2003), alsmede Uitgangspunt in de heersende jurisprudentie en de literatuur is dat aan de rechter een grote mate van vrijheid toekomt met betrekking tot de begroting van schade als de onderhavige. Het is aan de rechter om mede aan de hand van de feitelijke waardering van de omstandigheden van het geval te beslissen. Daarbij kan hij bepalen dat moet worden gekapitaliseerd tegen een peildatum in het verleden, bijvoorbeeld de ongevalsdatum, maar verplicht is hij daartoe niet. De rechter mag ook opteren voor kapitalisatie met ingang van de datum waarop de berekening wordt gedaan.In casu doet zich de situatie voor dat er sprake is van geleden en toekomstige schade. Gesteld noch gebleken is dat de geleden schade niet concreet kan worden begroot. Voorts is gesteld noch gebleken dat het inmiddels door Aegon uitgekeerde voorschot die concrete schade, inclusief renteverlies, niet dekt. Zonder nadere toelichting van[verzoekster], welke toelichting ontbreekt, valt naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet in te zien waarom de peildatum in dit specifieke geval moet worden verlegd naar de datum van het ongeval. De enkele omstandigheid dat de door[verzoekster] bepleite rekenmethode tot hogere (rente)uitkomsten leidt, acht de kantonrechter niet redengevend.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal de eerste vordering van[verzoekster] worden afgewezen.

 tot betaling van alle tot op heden openstaande buitengerechtelijke kosten (€ 4.585,80) te vermeerderen met de wettelijke rente, een en ander kosten rechtens.  Naar het oordeel van de kantonrechter heeft[verzoekster] genoegzaam aannemelijk gemaakt dat de kosten van rechtsbijstand (vooralsnog) voldoen aan de daaraan te stellen eisen en had het op de weg van Aegon gelegen ter zake concreet en onderbouwd aan te geven waar de schoen wringt. Aegon heeft dat niet gedaan, maar slechts in (te) algemene bewoordingen en eerst in deze procedure vraagtekens gezet bij de declaraties van de raadsvrouw en de daaraan ten grondslag liggende werkzaamheden, terwijl zij die declaraties voorheen zonder protest heeft aanvaard. Zij kan thans niet volstaan met de blote mededeling dat de post bestudering dossier een terugkerend fenomeen is en dat zulks wijst op dubbel gedeclareerde werkzaamheden. Advocaten zijn geen robots met een fotografisch geheugen. Bij iedere nieuwe fase in het proces is het, binnen redelijke grenzen, noodzakelijk dat de advocaat zijn dossier raadpleegt teneinde te kunnen beoordelen welke vervolgstappen moeten worden genomen. Gesteld noch gebleken is dat de gemachtigde van[verzoekster] bedoelde grenzen heeft overschreden. De omstandigheid dat andere belangenbehartigers dat dossier ook hebben bestudeerd kan Aegon evenmin baten. Gelet op het, eufemistisch uitgedrukt, bepaald ongelukkige beginverloop van de zaak, kan[verzoekster] bezwaarlijk worden verweten dat zij een andere gemachtigde heeft ingeschakeld. Voorts staat het Aegon vrij de kosten voor rechtsbijstand bij wijze van voorschot te betalen, zodat correctie achteraf tot de mogelijkheden behoort.
De kosten worden ‘rechtens’ gevorderd. Kennelijk is in de procedure ongeveer een bedrag ad € 3.000,– gespecificeerd. Met betrekking tot de proceskosten verwijst de kantonrechter om te beginnen naar hetgeen hiervoor is overwogen ter zake van de buitengerechtelijke kosten. Gelet op de uitkomst van de procedure acht de kantonrechter evenwel termen aanwezig deze kosten te matigen tot de helft. De kosten van het deelgeschilzullen daarom op de voet van artikel 1019aa Rv worden begroot op € 1.487,81 (inclusief het betaalde griffierecht ad € 219,00).

Concreet schade berekenen blijft de voorkeur hebben. Dat kan in 2013 door concreet naar het veleden te krijgen. Partijen hebben dat kennelijk eerst zo afgesproken (en dat is ook een redelijk aanname) waarna vervolgens een andere methode door een partij wordt gekozen omdat dat meer oplevert…. Mede gezien het feit dat er bevoorschot is ziet de rechtbank daarvoor geen aanleiding.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: