Motorrijder tegen linksafslaande fietser, Reflexwerking 185 artikel WVW, motorrijder krijgt geen schadevergoeding toegewezen.

Rechtbank Gelderland, 29 januari 2015
Fietser slaat plots af. Passerende motorrijder komt ten val en loopt letsel op. Geen overmacht motorrijder en vanwege reflexwerking geen aansprakelijkheid fietser.
Verzoek Rechtbank
 te bepalen dat [verweerder] aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade en dat [verweerder] gehouden is de als gevolg van het ongeval d.d. 19 juni 2013 geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van het intreden van schade;

De rechtbank overweegt dat ook als wordt uitgegaan van de juistheid van de door [verzoeker] gestelde feiten, namelijk dat hij niet te hard reed, dat [verweerder] niet voorgesorteerd was en opeens, zonder waarschuwing, linksaf sloeg, [verzoeker] geen beroep op overmacht toekomt. Vaststaat dat de wegsituatie ter plaatse overzichtelijk was en dat [verzoeker] [verweerder] voor zich heeft zien fietsen. [verzoeker] heeft niet weersproken dat hij bekend was met de verkeerssituatie ter plaatse en het feit dat veel fietsers daar oversteken om hun weg te vervolgen op de links gelegen Malburgse Bandijk. Gelet op het een en ander diende [verzoeker] dan ook rekening te houden met de kans dat [verweerder] daar plotseling linksaf zou kunnen slaan. Daaraan doet niet af dat [verweerder] zijn linkerhand niet zou hebben uitgestoken voordat hij linksaf sloeg. Er moet immers ook rekening worden gehouden met de minder oplettende verkeersdeelnemers die zich niet volledig volgens de in het verkeer geldende regels gedragen. De fout van [verweerder] was niet zo onwaarschijnlijk dat [verzoeker] bij het bepalen van zijn verkeersgedrag daarmee naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden. Hij had zodanige afstand moeten houden of zijn snelheid dermate moeten minderen dat hij, rekening houdend met dergelijk verkeersgedrag van anderen, zijn voertuig tijdig tot stilstand kon brengen. Het beroep van [verzoeker] op overmacht gaat dus niet op, zelfs niet als wordt uitgegaan van zijn lezing van de toedracht van het ongeval. De verzoeken onder 1. en 2. zullen worden afgewezen.

 [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 7.843,08 als voorschot op de door [verzoeker] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van de aanrijding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het verzoekschrift;  zie hiervoor
[verweerder] te veroordelen overeenkomstig artikel 1019aa Rv jo. 6:96 BW tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 9.730,13;  Dan resteert de verzochte kostenbegroting (verzoek 3.) op grond van artikel 1019 aa Rv. [verzoeker] heeft verzocht deze kosten te begroten op een bedrag van € 9.730,13 (inclusief BTW en kantoorkosten). Deze begroting is gebaseerd op een uurtarief van € 255,00 en afgerond 30 uren. [verweerder] heeft daartegen geen verweer gevoerd, zodat de kosten zullen worden begroot zoals verzocht. Voor een veroordeling in die kosten bestaat, gelet op het niet vast staan van de aansprakelijkheid, echter geen aanleiding, zodat het verzoek onder 3. eveneens zal worden afgewezen.
  [verweerder] te veroordelen in de kosten van deze procedure.  Op grond van artikel 1019 aa lid 3 Rv is artikel 289 Rv, dat de grondslag vormt voor een veroordeling in de proceskosten, niet van toepassing. Ook het daarop gerichte verzoek (4.) zal worden afgewezen.

Kennelijk is niet -al is het maar subsidiair- gevraagd om een gedeeltelijke veroordeling in de schade. Nu (eigen) schuld aan de zijde van de fietser toch wel een rol lijkt te spelen lijkt dat niet kansloos. Zou dat nu nog ene deelgeschil moeten opleveren?

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: