Gemeente niet aansprakelijk voor val van voetgangster op kinderkopjes. Plaats voorval onduidelijk.

Rechtbank Limburg, 10 februari 2015

Voetgangster stelt op kasseien te zijn gevallen en meent dat de gemeente (risico)aansprakelijk is. Toedracht onvoldoende duidelijk, met name plaats voorval niet bekend. Ook al voldoet de straat op sommige plekken niet aan de zogenaamde crow-richtlijnen, dat betekent niet dat de gemeente aansprakelijk is voor iedere vallende voetganger.

Verzoek Rechtbank
 voor recht verklaart, dat de gemeente aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval van 8 juni 2011 waarbij [verzoekster] in de Sint Bernadusstraat te Maastricht over een opstaande kassei is gestruikeld, waardoor zij letselschade heeft opgelopen;

Met betrekking tot de juiste plek van de val van [verzoekster] stelt de gemeente dat [verzoekster] in het voortraject van de onderhavige procedure verschillende locaties in de Sint Bernardusstraat heeft genoemd waar zij zou zijn gevallen. Thans stelt [verzoekster] dat zij zou zijn gevallen ter hoogte van het pand met de huisnummers 33/35.

Uit het vorenstaande volgt dat [verzoekster] niet heeft kunnen aangeven achter welke concrete, opstaande, steen haar voet is blijven haken, dan wel – volledigheidshalve, want dit is in het verzoekschrift niet als oorzaak van het vallen genoemd – in welke voeg zij zich heeft verstapt. Dat betekent dat de rechtbank niet kan beoordelen of ter plekke waar [verzoekster] is gevallen het wegdek niet voldeed aan de daaraan, alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, te stellen eisen en dus sprake is van aansprakelijkheid van de gemeente op grond van artikel 6:174 of 6:162 BW voor de door [verzoekster] geleden schade. Daaruit volgt dat het verzochte onder a moet afgewezen, evenals de onder b verzochte vergoeding van de materiële en immateriële schadevergoeding, en dat de overige verweren van de gemeente geen bespreking meer behoeven.

 de gemeente veroordeelt om, binnen veertien dagen na de te dezen te wijzen beschikking aan [verzoekster] te voldoen bij wijze van voorschot op de door haar geleden en nog te lijden schade de bedragen:- € 7.000,– ter zake materiële schade;- € 2.500,– ter zake immateriële schade;- € 1.282,60 ter zake redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid;- de buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand als bedoeld in artikel 6:96 tweede lid onder c BW;

Nu de aansprakelijkheid voor de schade niet vaststaat, dient de vordering tot veroordeling van de gemeente in de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten te worden afgewezen. Hieruit volgt dat het verweer van de gemeente, dat een (gehele) vergoeding van de werkelijke advocaatkosten niet aan de orde is, omdat [verzoekster] procedeert op basis van een toevoeging, niet relevant is. Een veroordeling van de gemeente tot betaling van die kosten derhalve wordt immers niet uitgesproken.

 

 de gemeente veroordeelt in de kosten van deze procedure. De rechtbank acht het door [verzoekster] opgegeven aantal uren dat is besteed aan gerechtelijke en buitengerechtelijke rechtsbijstand redelijk. Nu tegen het in rekening gebrachte uurtarief voorts geen bezwaar is aangevoerd, begroot de rechtbank de kosten van gerechtelijke en buitengerechtelijke bijstand overeenkomstig de opgave van [verzoekster] op € 8.944,36. In dat verband overweegt de rechtbank nog dat tot die kosten ook worden gerekend de kosten van partijdeskundige Van As. Deze zijn naar het oordeel van de kantonrechter redelijk en zijn in redelijkheid gemaakt. Aan toewijzing van deze kosten doet niet af dat het hoofdverzoek, te weten de verklaring voor recht dat de gemeente aansprakelijk is voor het ongeval, is afgewezen. De rechtbank merkt nog op, hetgeen door [verzoekster] ook is erkend, dat de vordering tot vergoeding van de kosten van Van As onder de noemer van de kosten ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid (verzoek sub b derde opsommingstreepje) leidt tot een dubbele vordering, nu die kosten ook reeds zijn verdisconteerd in de vordering sub b vierde opsommingstreepje.

Vrij nuchter blijft de conclusie dat de feiten niet vast staan en dat dan ook geen aansprakelijkheid kan worden aangenomen.

Met betrekking tot de kosten is het wat bijzonder dat de kosten van de deskundige in de begroting worden meegenomen. Die kosten zijn weliswaar buitengerechtelijk of als kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid aan te merken, maar het rapport van februari 2014 (NB voorval is van 2011…) is van voor het moment dat het verzoekschrift werd geschreven.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: