causaal verband tussen de medische fout en de klachten en beperkingen van verzoeker is nog niet vast te stellen

Rechtbank Midden-Nederland 21 mei 2014
Op basis van een in gezamenlijke opdracht vervaardigd deskundigenrapport kan de rechtbank op dit moment, vanwege de te algemeen en te weinig op verzoek toegespitste rapporten van de deskundige, het causaal verband tussen de medische fout en de klachten en beperkingen van verzoeker niet vaststellen, waarmee niet vaststaat dat het causaal verband er niet is.
Verzoek Rechtbank
te bepalen dat het verlies verdiencapaciteit berekend dient te worden op basis van maximaal 75% van een voltijds dienstverband in de huidige functie van [verzoeker] als vlieger bij Lufthansa vanaf het moment dat na de uitspraak van de rechtbank in deze deelgeschilprocedure het dienstverband van [verzoeker] daadwerkelijk is teruggebracht tot 75%;  Het vooroverwogene betekent dat de rechtbank op dít moment, vanwege de te algemeen en te weinig op [verzoeker] toegespitste rapporten van Vermeulen, het causaal verband tussen kort gezegd de medische fout en de klachten en beperkingen van [verzoeker] niet kan vaststellen, waarmee niet vaststaat dat het causaal verband er niet is. De cruciale vraag of de thans resterende klachten en beperkingen die [verzoeker] ondervindt hun oorzaak vinden in de medische fout, te weten het verrichten van een operatie in eerste instantie op het verkeerde lumbale niveau, behoeft deskundige beantwoording. Partijen wordt ten behoeve van het verdere buitengerechtelijke traject in overweging gegeven (een) deskundige(n) te benaderen teneinde een onderzoek(srapport) te verkrijgen dat op de medische situatie van [verzoeker] ziet.

Daarmee komt de rechtbank toe aan het standpunt van [verzoeker] dat de betwisting door OLVG en MediRisk tardief is. De rechtbank onderschrijft dit niet. OLVG en/of MediRisk hebben de causaliteit niet (expliciet) erkend of bevestigd ten opzichte van [verzoeker]. Onder die omstandigheden kan aan OLVG en MediRisk niet worden tegengeworpen dat zij – zoals zij in een bodemprocedure ook zouden mogen doen – in dit stadium een beroep doen op het ontbreken van causaal verband.

te bepalen dat het deskundigenbericht van arbeidsdeskundige Audenaerde niet als uitgangspunt kan dienen voor de afwikkeling van de schade van [verzoeker] en te bepalen dat de rapportage van arbeidsdeskundige Van Koersveld leidend is voor partijen bij de buitengerechtelijke afwikkeling van de schade van [verzoeker], subsidiair te bepalen dat er een nieuwe arbeidsdeskundige dient te worden benoemd als deskundige welke op basis van de vragen in de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 september 2010 een nieuw deskundigenbericht dient op te stellen;
OLVG en MediRisk, hoofdelijk, te veroordelen om aan [verzoeker] te betalen de door hem aan arbeidsdeskundige Van Koersveld betaalde declaratie van € 6.844,30, alsmede de declaratie van CAE Center Amsterdam B.V. van € 714,00, totaal derhalve € 7.558,30;  Hoewel in beginsel geoordeeld kan worden dat deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt is op dit moment, gezien de stand waarin de afwikkeling van deze zaak zich bevindt, niet duidelijk of [verzoeker] zich terecht op het standpunt stelt dat – kort samengevat – het rapport van Audenaerde niet als uitgangspunt kan dienen voor de verdere schadeafwikkeling. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank op dit onderdeel van het verzoek geen beslissing kan geven.
OLVG en MediRisk, hoofdelijk, te veroordelen om aan [verzoeker] ter zake de kosten rechtsbijstand ex artikel 6:96 BW te betalen het bedrag van € 15.550,34

de kosten van [verzoeker] van onderhavige procedure ex artikel 1019aa Rv te begroten op € 11.753,75 dan wel op € 9.003,85, en OLVG en MediRisk, hoofdelijk, te veroordelen deze kosten aan [verzoeker] te betalen;

  •  
 Hoewel in beginsel geoordeeld kan worden dat deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt is op dit moment, gezien de stand waarin de afwikkeling van deze zaak zich bevindt, niet duidelijk of [verzoeker] zich terecht op het standpunt stelt dat – kort samengevat – het rapport van Audenaerde niet als uitgangspunt kan dienen voor de verdere schadeafwikkeling. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank op dit onderdeel van het verzoek geen beslissing kan geven.
OLVG en MediRisk, hoofdelijk, te veroordelen de overige proceskosten (bestaande uit het verschuldigd geworden griffiegeld) aan [verzoeker] te voldoen. De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

[verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van € 11.753,75 dan wel € 9.003,85, te vermeerderen met het griffierecht.

Anders dan OLVG en MediRisk is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een volstrekt onnodig of onterecht ingediend verzoek. Voor het oordeel dat de gemaakte kosten niet voor begroting in aanmerking komen moet sprake zijn van misbruik van het processuele middel van een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv. Een dergelijk misbruik acht de rechtbank niet aanwezig.

OLVG en MediRisk stellen zich kort gezegd op het standpunt dat het aantal bestede uren “wel erg veel” is, dat het verzochte bedrag disproportioneel is en de dubbele redelijkheidstoets niet kan doorstaan. Zij heeft geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief.

Met OLVG en MediRisk is de rechtbank van oordeel dat kosten in verband met het aanvullend rapportage van Vermeulen niet geschaard kunnen worden onder de kosten van dit deelgeschil. De onderhavige zaak betreft verder naar het oordeel van de rechtbank een niet per definitie eenvoudig deelgeschil. Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is daarmee naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming. De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook begroot op € 9.003,85 inclusief BTW en kantoorkosten, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 274,00. OLVG en MediRisk zullen tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld.

===

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: