Stellingen verlies verdienvermogen afgewezen, wel voorschot

beschikking rechtbank Utrecht 17 september 2014
De bepaling van de schade als gevolg van verlies van verdien vermogen bij een uitzendkracht die stelt zonder ongeval in vaste dienst te hebben gewerkt met een hoger inkomen. Geen nadere bewijslevering.
Verzoek Rechtbank
 het verlies verdienvermogen te bepalen per 2009 op E 21.450,82;  Op het moment van het ongeval op 21 mei 2008 was [VERZOEKER] als uitzendkrachtwerkzaam. [VERZOEKER] wil voor wat betreft de hypothetische situatie dat het ongeval hem niet zou zijn overkomen echter uitgaan van een vast dienstverband, naar de rechtbank begrijpt, bij Inatech, per 1 juli 2008 althans met ingang van het jaar 2009. Met [VERZEKERAAR] is de rechtbank van oordeel dat daarvoor op dit moment onvoldoende aanwijzingen zijn.
 het verlies verdienvermogen vast te stellen onder voorbehoud van het behoud van de WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%;  Gezien de samenhang met het eerste verzoek en omdat het vaststellen van het verlies aan verdienvermogen onder het voorbehoud van het behoud van een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100% (op zelfstandige wijze, los van het eerste verzoek waarop afwijzend wordt beslist) niet bijdraagt aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, zal de rechtbank ook het tweede verzoek afwijzen. Bovendien zou een beslissing hierop de modaliteiten waarbinnen partijen tot een regeling kunnen komen, beperken, hetgeen de rechtbank niet raadzaam voorkomt.
 een nader voorschot op de materiële en immateriële schade te bepalen van een bedrag van € 100.000,00.  De rechtbank acht het, ondanks dat op dit moment geen duidelijkheid bestaat over de verdiensten van [VERZOEKER] in het verleden en over waarvan getalsmatig uit gegaan moet worden voor wat betreft de hypothetische situatie ten aaanzien van de toekomst, aannemelijk dat [VERZOEKER] in ieder geval enige inkomensschade lijdt. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat sprake is van een 80-100% arbeidsongeschiktheid. Onvoldoende is gebleken dat sprake is van verschenen schade tot op een bedrag van € 100.000,00. De rechtbank zal, in het licht van het vooroverwogene, een nader voorschot bepalen van € 50.000,00.
De rekenrente van de toekomstschadeberekening vanaf 2015 te bepalen op maximaal 1% per 2016, gebaseerd op een inflatie van 2% en een rente van maximaal 3%.  Op het verzoek de rekenrente te bepalen op 1% zal de rechtbank niet beslissen. De hoogte van de rekenrente wordt namelijk (mede) bepaald door de looptijd van de (toekomst)schade. Daarover bestaat op dit moment nog geen duidelijkheid. De rechtbank merkt evenwel op dat in de huidige economische omstandigheden, meer in het bijzonder de ontwikkeling van de rente en de inflatie in de laatste jaren, een aanwijzing kan worden gevonden de rekenrente in ieder geval vast te stellen op een lager percentage dan de 3% die gewoonlijk gehanteerd wordt (werd).
 [VERZEKERAAR] te veroordelen tot vaststelling van de verder verschuldigde buitengerechtelijke advocatenkosten gebaseerd op het belang van de zaak en de specialisatiefactor van de advocaat en voorts in de kosten van deze procedure aan de zijde van [VERZOEKER].  De onderhavige zaak betreft naar het oordeel van de rechtbank een voor wat betreft de omvang en complexiteit ervan beperkt en overzichtelijk deelgeschil. Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming, zeker gezien het ontbreken van een onderbouwing met stukken van de ingenomen standpunten. Het gehanteerde uurtarief komt de rechtbank op zichzelf niet ongebruikelijk of te hoog voor, maar rechtvaardigt dan niet tevens het in rekening gebrachte aantal uren. De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank daarom worden begroot op 20 uren x € 265,00 exclusief BTW, derhalve op€ 5.300,00 exclusief BTW, te vermeerderen met het door [VERZOEKER] betaalde griffierecht van € 868,00.

Een deelgeschil ingaan zonder voldoende bewijs behoort te leiden tot een afwijzing van het verzoek. dat gebeurt hier ook. Toch toewijzing substantiële kosten.

Voor verzekeraars is altijd een alstig dilemma: moet ik schikkenderwijze iets aanbieden om zo wellicht een procedure te voorkomen? Met de deelgeschilprocedure heeft dat steeds vaker geen nut, omdat de betrokkene dan toch de deelgeschilroute probeert en in rechte vervolgens op basis van zo’n aanbod vóór procedure een voorschot wordt bepaald mét een kostenveroordeling..

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: