WAM-vordering is niet verjaard aangezien verzekeraar uitnodigt tot doen voorstel

Rechtbank Amsterdam 21 oktober 2013
Verklaring voor recht dat vordering niet is verjaard toewijsbaar. Artikel 10 lid 5 WAM; brief verzekeraar heeft onderhandelingen binnen de verjaringstermijn doen heropenen, zodat de verjaring van de (vermeende) vordering van verzoeker tijdig is gestuit.
Verzoek Rechtbank
 [verzoeker] verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat zijn vordering op London uit hoofde van het hem op 23 oktober 2003 overkomen verkeersongeval niet door verjaring teniet is gegaan.
 De rechtbank overweegt dat voor de vraag of sprake is geweest van onderhandelingen in de zin van artikel 10 lid 5 WAM niet beslissend is of de verzekeraar de indruk geeft bereid te zijn de schade te dragen, maar alleen of de verzekeraar zich zodanig heeft uitgelaten dat de benadeelde niet hoeft aan te nemen dat de verzekeraar een regeling zonder meer uitsluit (Benelux Gerechtshof 20 oktober 1989, NJ 1990, 660). De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] op grond van de inhoud van de brief van 30 juni 2011 niet hoefde aan te nemen dat London een regeling zonder meer uitsloot. London nodigt (de advocaat van) [verzoeker] immers uit een voorstel te doen voor een finale regeling van de zaak. Daarmee was dus sprake van onderhandelingen en ging een nieuwe termijn van drie jaar lopen. De omstandigheid dat London blijkens die brief niet wilde dat een nieuwe termijn zou aanvangen, maakt dat niet anders.

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat de brief van London van 30 juni 2011 de onderhandelingen tussen partijen binnen de verjaringstermijn van drie jaar heeft doen heropenen, zodat de verjaring van de (vermeende) vordering van [verzoeker] uit hoofde van het hem op 23 oktober 2003 overkomen verkeersongeval tijdig is gestuit. De (vermeende) vordering van [verzoeker] is niet door verjaring teniet gegaan. De door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht is aldus toewijsbaar.

 Daarnaast verzoekt [verzoeker] de rechtbank om de kosten van het deelgeschil te begroten conform zijn opgave en London in deze kosten te veroordelen, een en ander – voor zover mogelijk – uitvoerbaar bij voorraad.  De rechtbank acht het door [advocaat] gehanteerde uurtarief van EUR 200,00(waar London overigens ook geen bezwaar tegen heeft gemaakt) niet onredelijk. De omvang van de door [advocaat] aan het opstellen van het verzoekschrift bestede tijd van 3,5 uur is naar het oordeel van de rechtbank evenmin onredelijk. Wel acht de rechtbank de 3 uur die zijn opgevoerd voor de mondelinge behandeling bovenmatig. Gebleken is dat de mondelinge behandeling slechts 1,5 uur heeft geduurd. Ook de opgevoerde reistijd komt naar het oordeel van de rechtbank, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet geheel voor vergoeding door London in aanmerking. De rechtbank zal het aantal bestede uren derhalve matigen tot 12 uur en het deel van de gemaakte kosten dat in redelijkheid ten laste van London dient te komen, begroten op EUR 3.323,20 (EUR 200,00 x 12 + 5% kantoorkosten + 21% BTW + EUR 274,00 griffierecht).Nu de aansprakelijkheid van London vast staat, zal de rechtbank London veroordelen tot betaling van de met het deelgeschil gemoeide kosten, zoals hiervoor onder 4.13 door de rechtbank begroot.

Gezien de rechtspraak van het Benelux Gerechtshof is het oordeel van de rechtbank niet onlogisch aangezien verzoeker in dit geval niet hoefde aan te nemen dat London een regeling zonder meer uitsloot. Dat betekent dat verzekeraars in dit soort kwesties -heel onaardig- maar gewoon NJET moeten blijven roepen….
Dezaak zelf wordt door dit alles niet verder geholpen.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: