Vordering zowel jegens WAM-verzekeraar als jegens verzekerde verjaard en geen aansprakelijkheid voor aanrijding voetganger. Kosten gematigd.

rechtbank Den Haag 2 mei 2013, rechtspraak.nl
Echtgenoot van verzoekster [A] is 12 maart 2007 roekeloos straat overgestoken , aangereden door bij Delta Llloyd verzekerde automobilist (verweerder 2) en ter plekke overleden. Aansprakelijkstelling op 14 mei 2012. Rechtbank oordeelt dat vorderingen jegens Delta Llloyd en verzekerde zijn verjaard, alsmede dat er geen aansprakelijkheid is. Bij kostenbegroting worden uren en tarief gematigd. 
Verzoek Rechtbank
Een verklaring voor recht dat Delta Lloyd en [verweerder sub 2] aansprakelijk zijn voor de gehele geleden en te lijden materiële en immateriële schade van [verzoekster], zonder enige vorm van eigen schuld aan de zijde van [A].
Een verklaring voor recht dat Delta Lloyd en [verweerder sub 2] “geen beroep toestaan op de verjaring van haar rechtsvordering”.
Een verklaring voor recht dat de vorderingen van [verzoekster] niet verjaard zijn.
Verjaring
Aan de brief van 14 mei 2012 kan slechts stuitende werking toekomen indien de gestelde vordering op dat moment nog niet verjaard was. Nu de driejarige verjaringtermijn op grond van artikel 10 lid 1 WAM aanvangt op de dag van de aanrijding, mitsdien op 12 maart 2007 en vóór 12 maart 2010 geen stuitingshandeling is verricht, is de vordering jegens Delta Lloyd verjaard.
Met betrekking tot de vordering tegen [verweerder sub 2] heeft te gelden dat aan de brief van 14 mei 2012 jegens [verweerder sub 2] uitsluitend stuitende werking toekomt, wanneer [verzoekster] niet eerder dan op 14 mei 2007, mitsdien (ruim) 2 maanden na het ongeval bekend mocht worden verondersteld met de schade en de aansprakelijke persoon. [verzoekster] had aanzienlijk eerder bekend kunnen en ook moeten zijn met de schade en de voor de aanrijding aansprakelijke perso(o)n(en). Daarbij is van belang dat de Hoge Raad in zijn arrest van 3 december 2010 (LJN: BN6241) heeft geoordeeld dat degene die de identiteit van de aansprakelijke persoon met een beperkt onderzoek eenvoudig had kunnen achterhalen, maar heeft nagelaten een dergelijk onderzoek in te stellen, zich ter afwering van een beroep op verjaring niet kan beroepen op subjectieve onbekendheid met de aansprakelijke partij. Nu de politie na de aanrijding de kentekens van de bij de aanrijding betrokken auto’s en de namen van de bestuurders heeft genoteerd, had [verzoekster] deze gegevens op eenvoudige wijze via de politie kunnen en ook moeten achterhalen. [verzoekster] heeft in dit verband nog betoogd dat zij als gevolg van haar psychische toestand, zwangerschap en onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal niet eerder dan 14 mei 2007 in staat was om de namen van de aan te spreken perso(o)n(en) te achterhalen. Uiteraard zal, wanneer sprake is geweest van een dodelijke aanrijding, aan de nabestaanden enige tijd moeten worden gegund om de begrafenis te organiseren en hun ergste verdriet te verwerken, maar ook wanneer met de door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden rekening wordt gehouden, had zij ruimschoots binnen de eerder genoemde 2 maanden de namen van de aan te spreken partijen kunnen en ook moeten opvragen, zodat de verjaring reeds vóór 14 mei 2007 is aangevangen en de vordering van [verzoekster] jegens [verweerder sub 2] eveneens verjaard is.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door [verzoekster] verzochte verklaringen voor recht niet toewijsbaar zijn.
Aansprakelijkheid
Maar ook wanneer de vorderingen niet op grond van verjaring zouden zijn afgewezen, is de rechtbank van oordeel dat van aansprakelijkheid van verweerders geen sprake kan zijn. Uit het proces-verbaal van de politie alsmede de getuigenverklaringen komt duidelijk naar voren dat [A] een rood voetgangerslicht heeft genegeerd en rennend de rijbaan is overgestoken waar op dat moment in volle vaart auto’s reden. De rechtbank acht deze manoeuvre van [A] zodanig roekeloos dat [verweerder sub 2] daar in redelijkheid geen rekening mee hoefde te houden. De 50 procentregel dient in het onderhavige geval dan ook buiten toepassing te blijven. [verweerder sub 2] en Delta Lloyd kunnen, ook wanneer de zaak inhoudelijk wordt beoordeeld, niet aansprakelijk worden gehouden voor de aanrijding.
Delta Lloyd en [verweerder sub 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure. Mr. Schoemaker heeft de kosten begroot op 22,80 uren met een uurtarief van € 255,–, 6% kantoorkosten en 21% BTW, mitsdien op een bedrag van € 7.457,04. De kosten dienen op grond van artikel 1019aa Rv te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW. De in rekening gebrachte uren en het gehanteerde uurtarief zijn onder de gegeven omstandigheden exorbitant hoog. De rechtbank zal het aantal uren matigen tot 10 en het uurtarief tot € 210,00. Deze kosten zullen worden vermeerderd met de kantoorkosten en BTW en het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 75,–. Dit betekent dat de rechtbank de kosten van deze procedure aan de zijde van [verzoekster] zal begroten op € 2.768,46. Voor de goede orde zij daarbij opgemerkt dat dit bedrag eerst verschuldigd is indien de aansprakelijkheid van verweerders alsnog in rechte komt vast te staan.

Het verjaringsooordeel van de rechtbank viel te verwachten. De rechtbank had dus kunnen besluiten om begroting van de kosten achterwege te laten.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: