Eenzijdig ongeval zzp’er met bedrijfsauto opdrachtgever. Om te kunnen vaststellen of opdrachtgever aansprakelijk is wegens ontbreken svi, moet verzoeker bewijs leveren. Dit valt buiten deelgeschil.

rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 17 juli 2013, rechtspraak.nl
Verzoeker is voeger en werkt als zzp’er. Verzoeker reed op zondag in bedrijfsauto van en was volgens hem aan het werk voor voegersbedrijf van zijn ouders, toen hem eenzijdig ongeval overkwam met ernstig letsel als gevolg. Hij acht bedrijf aansprakelijk omdat er geen inzittendenschadeverzekering is. Verweer wordt gevoerd door bedrijf en verzekeraar Reaal.
Volgens rechtbank is 7:611 BW niet van toepassing is. Dat geldt wel voor de eisen van redelijkheid en billijkheid van 6:248 BW.
Het moet alsnog duidelijk worden of verzoeker gebruik moest maken van de bedrijfsauto van opdrachtgever. Zo nee is van belang of verzoeker diende te weten dat er geen verzekering was. Verzoeker moet bewijs leveren, hetgeen buiten deelgeschil valt. Verzoek dus afgewezen.
 
Verzoek Rechtbank
Bepaalt dat Reaal c.s. aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval en dat de daardoor veroorzaakte schade dient te vergoeden. [verzoeker] heeft voldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat hij op zondag 25 januari 2009 de bedrijfsauto van de Vennootschap gebruikte ter uitvoering van een opdracht ten behoeve van de Vennootschap. In het navolgende zal de rechtbank ervan uitgaan dat sprake is van vervoer dat op één lijn is te stellen met vervoer krachtens een arbeidsovereenkomst.
De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om de jurisprudentie op grond waarvan de zzp′er onder omstandigheden een beroep kan doen op de bescherming van artikel 7:658 lid 4, eveneens van toepassing te laten zijn op artikel 7:611 BW. Vastgesteld moet immers worden dat tussen partijen geen sprake is van een arbeidsovereenkomst maar van een overeenkomst tot opdracht of een aanneemovereenkomst. Op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd kan niet gezegd worden dat de verhouding tussen hen zodanig was dat materieel sprake was van een arbeidsovereenkomst.
In artikel 7:611 BW wordt specifiek voor de verhouding tussen werkgever en werknemer verwoordt, wat in algemene zin is bepaald in artikel 6:248 BW, namelijk dat de rechtsverhouding tussen contractanten wordt beheerst door beperkende en aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dit moet worden bezien in de totale contractuele relatie die tussen partijen geldt. De rechtbank zal daarom onderzoeken of de uit artikel 6:248 BW voortvloeiende eisen van de redelijkheid en billijkheid grondslag voor de gevorderde schade kunnen vormen.[verzoeker] dient bij de uitvoering van een opdracht die hij verricht in de uitoefening van het bedrijf van de Vennootschap – voor zover hij daarbij wat betreft de zorg voor zijn veiligheid afhankelijk zou zijn van de Vennootschap – in dezelfde positie te verkeren als in het geval de werkzaamheden zouden zijn verricht door een werknemer van de Vennootschap.
Niet in geschil is dat [verzoeker], als gevolg van het ontbreken van een inzittendenschadeverzekering voor de bedrijfsauto, geen dekking heeft voor de door hem gestelde schade wegens verlies aan verdienvermogen als gevolg van het bij het ongeval opgelopen letsel.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat het in de arbeidsrechtelijke verhouding tussen werkgever en werknemer, uit oogpunt van goed werknemersschap of de uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende eisen, vereist is dat de werkgever zorgt voor een behoorlijke verzekering, indien hij van een werknemer verlangt dat die zich ten behoeve van zijn werk in het verkeer begeeft. Voor beantwoording van de vraag of dit in de contractuele relatie, aangevuld met de eisen van art. 6:248 BW, tussen de Vennootschap en [verzoeker] evenzeer geldt, is onder meer van belang of [verzoeker] ter uitvoering van de opdracht de keuze had om de werkzaamheden in zijn eigen auto uit te voeren, die naar zijn zeggen wel adequaat was verzekerd, of dat hij van de Vennootschap de instructie had gekregen om bij uitvoering van de werkzaamheden gebruik te maken van de bedrijfsauto. Voor zover er geen sprake was van een dergelijke instructie is het van belang of [verzoeker] er van op de hoogte kon zijn dat voor de bedrijfsauto geen inzittendenschadeverzekering was afgesloten, zodat hij het risico bij gebruik van de bedrijfsauto kon afwegen. Beantwoording van deze vragen, vergt nader onderzoek en bewijslevering door [verzoeker]. De deelgeschilprocedure is niet geschikt voor dergelijke bewijslevering, waarvoor wellicht getuigenverhoor noodzakelijk is. De rechtbank zal daarom het verzoek afwijzen.
Reaal c.s. veroordeelt in de kosten van de behandeling van het deelgeschil van € 7.123,78, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de te geven beschikking. De rechtbank begroot de kosten van het deelgeschil conform het verzoek van [verzoeker] op een bedrag van in totaal € 7.130,78: een bedrag van € 6.856 vergoeding van rechtsbijstand (18 uur tegen een uurtarief van € 297,00 excl. btw en exclusief 6% kantooropslag) en een bedrag van € 274,00 griffierecht. Reaal c.s. heeft het uurtarief noch de tijdsbesteding betwist. Het verzoek tot veroordeling van Reaal c.s. in de kosten van het deelgeschil zal eveneens worden afgewezen, nu de aansprakelijkheid van Reaal c.s. niet vaststaat.

Verzoeker rijdt op zondag met een bedrijfsauto van zijn ouders. Hoe logisch is het dat hij toen aan het werk was? Het is jammer dat geen verweer is gevoerd tegen het hoge uurtarief.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: