Verweerster heeft recht verwerkt om medische expertise te verlangen

rechtbank Utrecht 3 oktober 2012, LJN: BY1146
Achteropaanrijding, aansprakelijkheid erkend. Verweerster (ASR) heeft causaal verband tussen klachten en ongeval en onmogelijkheid om oorspronkelijke werkzaamheden te verrichten betwist. Wel is in gezamenlijke opdracht onderzoek verricht door arbeidsdeskundige en NRL. Rechtbank oordeelt dat verweerster recht heeft verwerkt om thans medische expertise te verlangen. 
Verzoek Rechtbank
Voor recht verklaren dat de rapporten van de arbeidsdeskundige [C], alsmede de uitgangspunten die daarin zijn verwoord bindend zijn tussen partijen en dat de punten waarop overeenstemming is bereikt tussen de medisch adviseurs van partijen bindend zijn tussen partijen en dat de rechtbank bepaalt dat de rekenkundige rapportages van het NRL voor partijen het uitgangspunt voor de onderhandelingen over het verlies aan verdienvermogen dienen te vormen. 4.1.   ASR heeft, met instemming van [verzoeker], aan [C] de opdracht verstrekt [verzoeker] arbeidskundig te begeleiden, met als doel re-integratie. [C] is op basis van door haar verricht arbeidskundig onderzoek ervan uitgegaan dat [verzoeker] vanwege zijn beperkingen niet meer in staat was het zware werk bij NedTrain te verrichten. Uiteindelijk heeft de re-integratie geresulteerd in opzegging door de [verzoeker] van zijn baan bij Nedtrain en in diensttreden tegen een lagere beloning bij GSU.
4.2.   Het verzoek om voor recht te verklaren dat de rapporten van [C] bindend zijn tussen partijen is te algemeen gesteld en kan als zodanig niet worden toegewezen. Het betoog van ASR dat deze rapporten niet kunnen worden aangemerkt als bindend advies treft in zoverre doel.
4.3.  Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of er, gelet op het stadium waarin de afwikkeling van de schade zich thans bevindt, gronden zijn om een (medische) expertise te verrichten naar het causaal verband tussen de door [verzoeker] genoemde klachten en het ongeval en te onderzoeken of [verzoeker] vanwege de (als gevolg van het ongeval ontstane) gezondheidsklachten niet meer in staat was zijn werkzaamheden bij Nedtrain te verrichten.
4.4.  Het standpunt van ASR dat het arbeidskundig onderzoek van [C] niet gelijkgesteld kan worden aan een medische expertise naar het causaal verband tussen het ongeval en de door [verzoeker] ervaren klachten is op zichzelf juist. De rechtbank is echter van oordeel dat gelet op de gang van zaken en het overleg dat heeft plaatsgevonden tussen [A] en de advocaat van [verzoeker], ASR thans niet meer in redelijkheid een medische expertise kan verlangen. Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag.
4.7.  In haar brief van 15 februari 2010 (2.5 nr. 9) deelt [A] mee dat het advies van de medisch adviseur van ASR inhoudt dat er geen aanwijzingen zijn voor een andere oorzaak van de klachten voor het ongeval en dat de medisch adviseur beperkingen duidt ten aanzien van een bovengemiddelde belasting van nek en schouders en dat de medisch adviseur “geen grote behoefte” heeft aan een afsluitende expertise. Op grond van de beschikbare informatie concludeert [A] in diezelfde brief – eveneens zonder voorbehoud – “dat er vanuit kan worden gegaan dat [verzoeker] als gevolg van het ongeval niet meer als monteur van treinen kan werken”. Juist omdat [A] in haar eerdere correspondentie steeds, in afwachting van het standpunt van (de medisch adviseur van) ASR, een voorbehoud maakte en zij de mededelingen in de brief van 15 februari 2010 deed na raadpleging van deze adviseur, kon [verzoeker] er op grond van deze brief gerechtvaardigd op vertrouwen dat tussen hem en ASR geen verschil van mening bestond over het uitgangspunt dat hij als gevolg van het ongeval niet meer in staat was zijn werkzaamheden bij NedTrain te verrichten. Daar komt bij dat deze conclusie niet onbegrijpelijk is, nu de medisch adviseur beperkingen noemt ten aanzien van een bovengemiddelde belasting van nek en schouders.
4.8.  Voor de veronderstelling dat partijen op het punt van ongeschiktheid van [verzoeker] voor zijn eigen werk overeenstemming hadden bereikt bestond voor [verzoeker] temeer aanleiding omdat [A] in diezelfde brief van 15 februari 2010 voorstelt het NRL een berekening te laten maken van het verlies aan verdienvermogen van [verzoeker].
4.9.  Indien  ASR van mening was dat de hoogte van het uiteindelijke schadebedrag relevant is voor de noodzaak de (medische) gevolgen van het ongeval door middel van een expertise vast te stellen, zoals zij thans stelt, had zij dit standpunt in een (veel) eerder stadium van de schadeafhandeling duidelijk kenbaar moeten maken.
4.10.  Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank het verzoek van [verzoeker] in zoverre toewijzen dat tussen partijen als uitgangspunt heeft te gelden dat [verzoeker] als gevolg van het ongeval ongeschikt is om zijn werkzaamheden als onderhoudsmonteur bij NedTrain te verrichten en dat voor de berekening van het verlies aan verdienvermogen de rapportages van het NRL als uitgangspunt moeten worden genomen.
Veroordeling in de kosten van dit deelgeschil. 4.12.  [verzoeker] heeft de kosten van het deelgeschil begroot op € 4.567,32 (een uurtarief van  € 275,00 exclusief 6% kantoorkosten en exclusief BTW).
4.13.  Naar het oordeel van de rechtbank is de door de advocaat van [verzoeker] begrote tijdsbesteding van naar boven afgerond 13,5 uur voor het deelgeschil (inclusief de zitting) redelijk. Zoals [verzoeker] ter zitting heeft meegedeeld zijn voorafgaand aan het deelgeschil buitengerechtelijke kosten door ASR vergoed op basis van een uurtarief van € 230,00. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de behandeling van dit deelgeschil een daarvan afwijkend tarief te hanteren.
4.14.  Gelet op het voorgaande begroot de rechtbank de kosten van het deelgeschil op € 3.105,00 (13,5 x € 230,00 exclusief 6% kantoorkosten en exclusief BTW), te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 267,00 en veroordeelt ASR tot betaling daarvan aan [verzoeker].

Als het na erkenning van aansprakelijkheid niet lukt om de schade te regelen, is het niet altijd mogelijk om alsnog een vervolg te geven aan een voorbehoud ten aanzien van medische causaliteit. Zo’n voorbehoud moet verenigbaar zijn met de buitengerechtelijke gang van zaken. Dat was hier volgens de rechtbank niet het geval.
Het is goed dat een streep wordt gehaald door de verhoging van het vóór het deelgeschil gehanteerde uurtarief.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: