Onrechtmatigheid en eigen schuld bij aanrijding

rechtbank Amsterdam 25 oktober 2012, LJN: BY3931
Bij verweerster Unigarant verzekerde auto stopt op de rijbaan van de snelweg omdat fiets van die auto is gevallen. Vervolgens worden die auto en de uitgestapte bijrijder aangereden door verzoeker [A], die daarbij – evenals bijrijder [B] – letsel oploopt. De rechtbank beslist dat Unigarant voor 70% aansprakelijk is voor de schade van [A]. Kosten woden begroot, waarbij uurtarief wordt gematigd.
Verzoek Rechtbank
[A] en [B] verzoeken een verklaring voor recht dat het eigen schuld verweer van Unigarant niet slaagt en voorts om te bepalen dat Unigarant volledig aansprakelijk is voor hun schade. Onrechtmatig handelen [C] en [D]?
4.4.  [A] en [B] leggen aan hun verzoek ten grondslag dat de heer en mevrouw [C en D] een onrechtmatige daad jegens hen hebben gepleegd. De rechtbank overweegt dat het, gelet op de betwisting hiervan door Unigarant, aan [A] en [B] is om het gestelde onrechtmatige handelen van de heer en mevrouw [C en D] nader te onderbouwen. Hieraan hebben zij naar het oordeel van de rechtbank voldaan door overlegging van het hiervoor onder 2.2 geciteerde proces-verbaal van aanrijding van de politie en de hiervoor onder 2.3 en 2.4 geciteerde processen-verbaal van de ten overstaan van deze rechtbank gehouden getuigenverhoren. Hieruit volgt (onder meer) dat de heer [C] de Mazda op de rechterrijbaan van de A2 tot stilstand heeft gebracht omdat hij dacht één van de fietsen op het fietsenrek achterop de Mazda te verliezen of al verloren te hebben en dat mevrouw [D] vervolgens is uitgestapt om de fiets van het wegdek te halen.
4.5.  De rechtbank overweegt dat Unigarant erkent dat voornoemd handelen van de heer en mevrouw [C en D] in strijd is met het in artikel 43 lid 2 RVV opgenomen verbod om een voertuig stil te laten staan op de rijbaan van een autosnelweg en het uit artikel 42 lid 1 RVV volgende verbod om op een snelweg te lopen als voetganger. Evenmin weersproken is dat dit in beginsel kan worden aangemerkt als gevaarzettend handelen. De heer en mevrouw [C en D] hebben gehandeld in strijd met een wettelijke plicht en de rechtbank is van oordeel dat dit handelen onrechtmatig kan worden geacht jegens de andere weggebruikers, waaronder [A] en [B].
4.6.  De rechtbank begrijpt dat Unigarant wel het causaal verband tussen het handelen van de heer en mevrouw [C en D] en de gestelde schade van [A] en [B] betwist. Daartoe voert Unigarant aan dat het ongeval (en dus de schade) niet is veroorzaakt door voornoemd handelen van de heer en mevrouw [C en D], maar door de omstandigheid dat [B] in strijd met artikel 19 RVV de Lancia niet tijdig tot stilstand heeft gebracht.
4.7. De rechtbank overweegt dat het stilstaan van de Mazda van de heer en mevrouw [C en D] op de rechterrijbaan dus heeft geleid tot stilstaand althans langzaam rijdende verkeer op de snelweg, hetgeen de reactie van [B] heeft veroorzaakt die uiteindelijk (mede) heeft geleid tot het ongeval en de schade (daargelaten de vraag of deze reactie oplettend en adequaat was; hetgeen aan de orde zal komen bij het eigen schuld verweer en de verdeling van de schade). Daarmee is het condicio sine qua non verband tussen het handelen van de heer en mevrouw [C en D] en de schade van [A] en [B] gegeven.
4.9.  De rechtbank concludeert dat, nu blijkens het voorgaande aan alle vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan, de heer en mevrouw [C en D] jegens [A] en [B] een onrechtmatige daad hebben gepleegd. Dit betekent dat Unigarant in beginsel aansprakelijk is voor de door [A] en [B] geleden schade ten gevolge van het ongeval.

Eigen schuld [B]
4.12.  Ter zitting heeft de advocaat van [B] erkend dat [B] geen gordel droeg op het moment van het ongeval en dat die omstandigheid zal leiden tot 25% eigen schuld aan de zijde van [B] als bedoeld in artikel 6:101 BW ten aanzien van de (nog te beoordelen) letselschade.
4.13.  De rechtbank stelt vast dat er condicio sine qua non verband bestaat tussen de aangevoerde omstandigheid, zijnde dat [B] de Lancia niet tijdig tot stilstand heeft gebracht en het ontstaan van het ongeval en het intreden van de schade. Zonder die omstandigheid zou het ongeval immers niet hebben plaatsgevonden. Voorts dient te worden bezien of de omstandigheid dat [B] de Lancia niet tijdig tot stilstand heeft gebracht aan hem kan worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval.
4.14.  De keuze voor de hiervoor omschreven door [B] gemaakte manoeuvre kan naar het oordeel van de rechtbank derhalve aan hem worden toegerekend. De rechtbank concludeert dan ook dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [B].

Verdeling van de schade
4.16.  Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank op basis van de wederzijdse causaliteit tot het oordeel dat de gedraging van de heer en mevrouw [C en D] voor 60% heeft geleid tot de (nog te beoordelen) letselschade en de gedraging van [B] voor 40% (inclusief 25% eigen schuld wegens het niet dragen van de gordel).
4.17.  Nu gesteld noch gebleken is dat er eigen schuld aan het ontstaan van het ongeval bestaat aan de zijde van [A], zal de rechtbank er vanuit gaan dat de gedraging van de heer en mevrouw [C en D] in de verhouding tot [A] voor 100% heeft geleid tot het ontstaan van het ongeval. Zoals ter zitting met partijen besproken zal de eventuele eigen schuld van [A] aan het ontstaan van haar schade, gelet op de omstandigheid dat zij met haar voet op het dashboard zat en een deskundige onderzoek zal moeten doen naar de gevolgen daarvan, bij de onderhavige beoordeling buiten beschouwing worden gelaten.
4.21.  In de ernst van de door de heer en mevrouw [C en D] gemaakte fouten en de verwijtbaarheid daarvan ziet de rechtbank aanleiding tot toepassing van de billijkheidscorrectie. Al het voorgaande in overweging genomen, concludeert de rechtbank dat de billijkheid eist dat Unigarant, als verzekeraar van de heer en mevrouw [C en D], gehouden is voor 70% bij te dragen aan de schade van [B], zodat 30% van de schade voor eigen rekening van [B] blijft.

Veroordeling van Unigarant in de kosten van deze procedure. 4.23.  Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in waarom de contactmomenten tussen [A] en [B] en hun advocaat niet voor vergoeding in aanmerking zouden komen.
Unigarant betwist de redelijkheid van het gehanteerde uurtarief van EUR 275,00. De rechtbank acht een uurtarief van EUR 235,00, vermeerderd met 6% kantoorkosten en 19% BTW, redelijk en zal de gevorderde begroting dienovereenkomstig matigen.
4.26.  De kosten worden begroot op EUR 3.764,86 (EUR 235,00 x 11,8 + 6% kantoorkosten + 19% BTW + EUR 267,00 griffierecht).
4.27.  Nu de aansprakelijkheid van Unigarant in deze zaak is komen vast te staan, zal de rechtbank Unigarant overeenkomstig het verzoek daartoe van [A] en [B] veroordelen tot betaling van de met het deelgeschil gemoeide kosten van [A] en [B].

De omstandigheden van het geval zijn ook in deze zaak bepalend voor de beoordeling van aansprakelijkheid en eigen schuld.
Het is goed dat de rechtbank het mes zet in het geclaimde uurtarief.

Iedere week de nieuw verschenen uitspraken ontvangen?
Schrijf u in voor de nieuwsbrief: